Posts tonen met het label auteur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label auteur. Alle posts tonen

maandag 20 december 2010

Henri van Daele : Pitjemoer

De Vlaamse jeugdauteur Henri van Daele is op 64-jarige leeftijd overleden. Van Daele was slechts 17 jaar toen hij zijn verhaal Rik wordt brigand (1964) publiceerde als nummer 571 van de Vlaamse Filmkens. In de loop van de volgende jaren zou hij nog 17 afleveringen van de toen nog bijzonder populaire reeks van korte jeugdboekjes voor zijn rekening nemen. Na zijn studies ging hij aan de slag als eindredacteur van het tijdschrift van de Landelijke Bedienden Centrale waar hij bleef tot hij in 1993 voltijds schrijver werd. Van Daele had sedert zijn debuutroman in 1967 echter al een monumentaal oeuvre aan kinder -en jeugdboeken bijeen geschreven. Gedurende de jaren '80 en '90 schreef hij elk jaar wel 3 à 4 boeken. Hij schreef onder andere voorleesboeken, fantasy, sprookjes, historische jeugdromans en autobiografische verhalen over zijn eigen kindertijd. Zijn bekendste boek is Pitjemoer (1980), een pakkend verhaal over zijn grootvader, dat overladen werd met prijzen. Daarnaast zijn ook zijn talrijke bewerkingen en hertalingen van klassiekers, legenden en sprookjes veel gelezen, zo bijvoorbeeld Tijl Uilenspiegel (1993) en Reinaart de vos, de felle met de rode baard (1996). Ook schreef hij een aantal romans voor volwassenen.
Van Daele gold als één van de grootste mastodonten binnen de hedendaagse Vlaamse jeugdliteratuur. Hij won gedurende zijn schrijverscarrière een karrenvracht literaire prijzen, waaronder maar liefst vier keer een Boekenwelp. Reeds in 1983 had hij de hoofdvogel afgeschoten toen hij de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Jeugdliteratuur ontving. Heel wat van zijn werk werd vertaald in het Frans en het Duits, maar ook Engelse, Noorse, Deense, Spaanse, Estlandse en zelfs Chinese vertalingen zagen het licht. Henri van Daele publiceerde in totaal meer dan 160 boeken.






















zondag 21 november 2010

Guillaume van der Graft : Romp de ligman

SCHRIJVENDERWIJS

Schrijvenderwijs was ik ingeslapen,
schrijvenderwijs werd ik wakker bij nacht
omdat er woorden stonden te blaten
onder het open raam waar ik lag.

Wie had hen daar bijeengedreven,
was het de honger of was het de wind?
Ze stonden in een beginnende regen
doodstil te kleumen op het grind.

Toen heb ik ze mee naar boven genomen,
de grote ruit van de spiegel besloeg.
Ik had voordien nooit geweten hoe men
woorden halfslapend naar boven droeg.

Maar 's morgens vroeg toen ik ontwaakte
waren ze weg en de deur stond los.
De zon scheen hoog en droog, er zaten
vogels te lachen in het bos.

(uit Guillaume van der Graft,
Vogels en Vissen, 1953)


De Nederlandse dichter Guillaume van der Graft is op 90-jarige leeftijd overleden. Guillaume van der Graft was de schrijversnaam van Willem Barnard, een predikant van de Gereformeerde Kerk. Van der Graft debuteerde als dichter na de oorlog (die hij in Berlijn doorbracht in het kader van de Arbeitseinsatz omdat hij had geweigerd de loyaliteitsverklaring te ondertekenen) met de bundel In Exilio (1946).

Zijn grote doorbraak kwam er in 1953 met zijn bundel Vogels en Vissen. Van der Graft nam -evenals bijvoorbeeld Leo Vroman en Hans Lodeizen- een dubbelzinnige positie in in het toenmalige literaire landschap, tussen de traditie en de literaire vernieuwing van de Vijftigers in. Levensbeschouwelijk staat hij met zijn christelijke inspiratie mijlenver van het nihilisme van Lucebert en consorten. Van der Graft zag het als de profetische taak van het dichten om de bedreigingen van het menszijn te bezweren. Waar hij wel aansluiting vindt bij het experiment is in de autonomie van de taal. Zijn beroemde gedicht Romp de ligman hieronder is een mooi voorbeeld van de vernieuwende poëtische beeldentaal waarvan hij gebruik maakt. De taal bestaat niet enkel meer uit een een aaneensluiting van verwijzende tekens, de aandacht verschuift naar de verschijningsvorm zelf.

Onder zijn eigen naam Willem Barnard genoot hij ook aanzienlijke bekendheid als één van de voornaamste dichters van het Liedboek voor de Kerken (1973), tegenwoordig het meest gebruikte liedboek van de protestantse kerken in Nederland waarin de psalmen na meer dan 200 jaar eens een nieuwe berijming kregen. Hij was ook de vader van auteur Benno Barnard.

Guillaume van der Graft publiceerde in totaal meer dan 25 dichtbundels doorheen zijn carrière. Als toemaatje hieronder één van zijn meest vermaarde gedichten.

ROMP DE LIGMAN

Het huis is opgegroeid in 't gras
en Romp de ligman woont erin
met zijn huisdieren

en dat is niet Blaat het afwachtschaap
of Aalmoes de aaipoes of
het spiegelhondje Ego

maar dat is Ha
de tamme kijkvos van mijn ogen
en Schuw de wurgkip van mijn keel
en dat is Ook
de lange vogel in de luisterwei
en het handrattenpaar met hun tien jongen

maar het intiemste huisdier
is Wim de witte denkworm in het hout
wanneer tenminste niet
het angstinsect zijn sprieten scherpt
naamloos op 't middenrif.

(uit Guillaume van der Graft,
Vogels en Vissen, 1953)

zondag 4 april 2010

Rudy Kousbroek : het vakantiegevoel van een jappenkamp

De Nederlandse auteur Rudy Kousbroek is op 80-jarige leeftijd overleden. Kousbroek werd in 1929 geboren op Sumatra in Nederlands-Indië en kwam pas na de oorlog naar Nederland. Kousbroek debuteerde in 1951 met de gedichtenbundel Tien variaties op het bestiale maar besefte al gauw van zichzelf dat hij als dichter slechts "goede middelmaat" was zoals hij het zelf verwoordde. Toch heeft hij een belangrijke bijdrage geleverd aan de vernieuwing van de Nederlandstalige poëzie. In 1950 richtte hij namelijk met zijn Parijse studiegenoot Remco Campert het poëzietijdschrift Braak op. Samen met dat andere tijdschrift Blurb van de vorig jaar gestorven Simon Vinkenoog, werd Braak het podium waarop de Vijftigers, de experimentele dichters van de jaren '50 waaronder Lucebert en Gerrit Kouwenaar, zich voor het eerst aan de wereld zouden presenteren. Kousbroek werd daarna vooral bekend omwille van zijn essays die steeds doorgedreven rationalistisch en empirisch, en tegelijkertijd vaak ook bijzonder polemisch en humoristisch van aard waren. Hij had een megalomane reeks van onderwerpen maar zijn stokpaardjes waren toch vooral filosofie, geschiedenis, wiskunde en dieren, met name de door hem zo geliefde katten. Voor zijn essayistisch werk kreeg hij in 1975 de P.C. Hooftprijs. Kousbroek was een veelzijdig schrijver die in de loop van zijn carrière naast karrenvrachten essays ook onder andere fotoboeken, sprookjes en een roman publiceerde. In de laatste jaren van zijn leven had de grote dierenliefhebber zich ook politiek geëngageerd en was hij enkele keren lijstduwer geweest voor de Partij voor de Dieren.

Zijn magnum opus is ongetwijfeld Het Oostindisch kampsyndroom uit 1992, een boek met lange autobiografische bespiegelingen, vooral over zijn jeugd op Sumatra. Kousbroek had bijna de hele Tweede Wereldoorlog in een jappenkamp doorgebracht. In het boek schreef hij dat hij het jappenkamp als een "vakantiekamp" had ervaren, vooral in vergelijking met het internaat waar hij daarvoor op school zat. Tevens vond hij de voorstelling van vele overlevenden systematisch overdreven en soms zelfs ietwat racistisch. Zo trok hij onder andere van leer tegen de manier waarop Jeroen Brouwers in diens autobiografische roman Bezonken Rood de jappenkampen had geportretteerd. Brouwers was immers van mening dat deze even afschuwelijk waren geweest als de Duitse kampen. Met zijn uitlatingen haalde Kousbroek zich de woede van Brouwers en vele andere overlevenden van de jappenkampen op de hals.

Het zou ongetwijfeld gepaster zijn om Rudy Kousbroek hier te eren met een essay dan met een gedicht vooral omwille van de eerlijke bedenkingen van hemzelf (en van mij) bij zijn poëtisch talent, maar om praktische redenen zal dat niet lukken. In 2003 publiceerde hij toch nog eens een bundel waaruit wij het volgende gedicht plukken.

OUDE SCHADUWEN

Ik heb nog een collectie heel oude schaduwen,
Sommige half vergaan en kwetsbaar,
Een paar nog uit de 18e eeuw.

Kinderschaduwen uit Antwerpen,
De schaduw van een rode lelie,
Een meeuwenschaduw uit Den Helder.

En uit de tijd van Koningin Emma,
Gerafeld maar nog goed herkenbaar,
Schaduwen van grijze dames.

De schaduw van een boom in Frankrijk,
Een vleermuisschaduw uit Zuid-Limburg,
Een grote vliegtuigschaduw uit de oorlog.

Vergeten schaduwen in een lade,
Voel maar, koel als tafelzijde,
Sommige zo fijn als spinrag.

Je moet ze weer netjes opvouwen,
Zorgen dat ze niet scheuren,
En ze beschermen tegen het licht.

(uit Rudy Kousbroek,
Dierentalen en andere gedichten, 2003)

maandag 2 november 2009

Alda Merini : het kleine Milanese meisje

DOPO TUTTO ANCHE TU

Dopo tutto anche tu
che dovrei sentire nemico
e che perdono.
Sei soltanto un uomo
che cerca di capire
e di non capire nessuno.
La tua generosità
è falsa come la mia.
Nessuno di noi
è talmente buono
da far sortir
miracoli dai versi.
Nessuno di noi
è talmente puro
da dimenticarli
per sempre.


APRES TOUT MEME TOI

Après tout même toi
que je devrais sentir ennemi
et que je pardonne.
Tu es seulement un homme
qui essaie de comprendre
et de ne comprendre personne.
Ta générosité
est aussi fausse que la mienne.
Aucun de nous
n’est assez bon
pour faire sortir
les miracles des vers.
Aucun de nous
n’est assez pur
pour les oublier
à jamais.

(uit Alda Merini, Dopo tutto anche tu, 2004. Franse vertaling door Patricia Dao.)
De Italiaanse dichteres en cultfiguur Alda Merini is op 78-jarige leeftijd gestorven aan de gevolgen van botkanker. Merini, tot op het moment van haar overlijden beschouwd als de grootste nog levende Italiaanse dichteres, werd geboren op 21 maart 1931 te Milaan. In 1953 debuteerde ze met de bundel La presenza di Orfeo. Al snel werd ze omarmd door het Italiaanse literaire establishment en raakte ze bevriend met onder andere de grote dichter Salvatore Quasimodo en de schrijver-regisseur Pier Paolo Pasolini, die haar de bijnaam 'la ragazzaccio milanese' ('het kleine Milanese meisje') bezorgde. De hoop en liefde waarvan haar vroege poëzie vervuld was maakt gaandeweg plaats voor Angst wanneer de dichteres steeds meer gebukt gaat onder zenuwinzinkingen en zware depressies. In 1965 wordt Merini hiervoor geïnterneerd in een psychiatrische kliniek waar zij 15 jaar zal verblijven. Gedurende al die jaren schrijft ze niks meer.

Na haar ontslag uit de instelling begint ze in de jaren '80 weer te schrijven en in 1984 maakt ze haar comeback met de hoog aangeschreven bundel La Terra Santa. De volgende decennia ziet een indrukwekkend poëtisch oeuvre het levenslicht. Haar geestesziekte raakt ze nooit echt kwijt en zal haar gedurende haar verdere leven regelmatig blijven teisteren. De laatste jaren dicteerde ze haar gedichten over de telefoon aan vrienden. Haar poëzie is in vele talen vertaald, waaronder het Frans en het Engels. Alda Merini, vergezeld van haar eeuwige sigaret, was in Italië een heuse cultfiguur die er allesbehalve vies van was om bij tijd en stond te choqueren. Zo bijvoorbeeld bracht de Italiaanse groep Altera in 2001 het album Canto di Spine uit waarbij ze de grootste Italiaanse dichters van de 20ste eeuw (Quasimodo, Levi, Pavese, Pasolini, Merini,... ) op muziek zetten. De toen 70-jarige Merini deinsde er niet voor terug om op rembrandtiaanse wijze te poseren voor de albumcover (zie foto links). Niet bepaald uw doordeweekse Italiaanse 'mamma' met andere woorden. Alda Merini werd na haar overlijden al door president Giorgio Napolitano geprezen als één van 's lands grootste literaire monumenten. Nobelprijswinnaar Dario Fo verklaarde dat zij die onderscheiding evenzeer als hijzelf zou verdiend hebben.

Als uitsmijter nog een gedicht:
LA MIA POESIA E ALACRE COME IL FUOCO

L
a mia poesia è alacre come il fuoco,
trascorre tra le mie dita come un rosario.
Non prego perché sono un poeta della sventura
che tace, a volte, le doglie di un parto dentro le ore,
sono il poeta che grida e che gioca con le sue grida,
sono il poeta che canta e non trova parole,
sono la paglia arida sopra cui batte il suono,
sono la ninnanànna che fa piangere i figli,
sono la vanagloria che si lascia cadere,
il manto di metallo di una lunga preghiera
del passato cordoglio che non vede la luce.


MA POESIE EST VIVE COMME LE FEU

M
a poésie est vive comme le feu,
elle glisse entre mes doigts comme un rosaire.
Je ne prie pas, car je suis un poète de la disgrâce
qui tait parfois le travail d’une naissance d’entre les heures,
je suis le poète qui crie et joue avec ses cris,
je suis le poète qui chante et ne trouve pas ses mots,
je suis la paille sèche où vient battre le son,
je suis la berceuse qui fait pleurer les enfants,
je suis la vanité qui se laisse chuter,
le manteau de métal d’une longue prière
d’un vieux deuil du passé et qui est sans lumière.

(uit Alda Merini, La volpe e il sipario, 1997. Franse vertaling door Martin Rueff.)

vrijdag 16 oktober 2009

Bert Decorte : de vitaliteit van een malse boezem

De Vlaamse dichter Bert Decorte is op 94-jarige leeftijd overleden. Decorte werd op 2 juli 1915 geboren in Retie als 8ste van 10 kinderen (één van zijn broers was de vader van theatermaker Jan Decorte). Na zijn middelbare school ging hij aan de slag als loopjongen in de Delhaize in Antwerpen en later, na zijn legerdienst, verzeilde hij in de ambtenarij waar hij het schopte tot diensthoofd op het Departement Cultuur en Letteren van het Ministerie van Onderwijs waar hij tot aan zijn pensioen bleef werken. Decorte debuteerde in 1937 met de sonnettenbundel Germinal. De 21-jarige Kempenzoon werd meteen omarmd als hét nieuwe grote talent. Zo schreef Marnix Gijsen in De Standaard: "Sedert Paul Van Ostaijen, is Bert Decorte het eerste fenomeen, het eerste wonderkind dat wij in de Vlaamse poëzie zien verschijnen." De poëzie van Decorte, vooral in zijn beginjaren, situeert zich binnen het Vitalisme, de in de jaren '30 toonaangevende stroming waarvan in de Nederlandstalige poëzie vooral de vroege Hendrik Marsman de belangrijkste exponent was. Centraal in de poëtica van het Vitalisme is de klemtoon op de intense, intuïtieve levensdrift. Dit gaat gepaard met een beschavingskritiek, want het leven dat verheerlijkt wordt speelt zich af in de natuur, niet in de beschaving. Vooral de boerenstiel temidden van het eenvoudige plattelandsleven werd verafgood als een waar walhalla. Ter verduidelijking een fragment uit Decortes gedicht Brabant:
...
Altijd duikt Breugel op in dit landschap:
'k Zie Luilekkerland of een dorp in een dal,
en de ploegende boer toont nog verwantschap
met die onvergetelijke van Ikaros' val.
Niets is vernepen hier, benauwd en smal:
de hemel legt zijn volle handen open.
In 't aards geloof laat hij zich gaarne dopen,
wie deze vrouw haar malse boezem bood.
Wat zou hij elders liefde willen kopen,
die hier onder een vlier een vrouw in de armen sloot?
...

(uit Bert Decorte,
Refreinen, 1943)
In het bovenstaande valt het nog enigszins mee, maar vaak leidt de vitaliteit van Decorte tot een exorbitante verbale boerenkermis met kwistig rond gespreide neologismen en vrolijke, (naïeve) levenslust. Enkel een strak behoud aan vormvastheid houdt dit alles nog in bedwang. Favoriete dichtvormen zijn het sonnet en de ballade, en, love it or hate it, maar zijn metrum en rijm is steeds zinvol en nooit gratuit.

Decorte was een bijzonder productieve dichter die tot 1995 bijna ieder jaar een bundel publiceerde. Hij schreef ook toneelstukken en essays, en vertaalde Les Fleurs du Mal van Charles Baudelaire en de ballades van François Villon in het Nederlands. In 1946 kreeg Bert Decorte de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie.

Via deze link kan u Bert Decorte tussen een plaagregen van technische problemen het gedicht Ballade van Eén Enkele Keer zien en horen voordragen.
En voor de liefhebbers van het genre, hier een sonnet:
Ik ben geworden als het winterbleek,
de witte, gans met ijslaag overwelfde,
geheel gedempte - en toch is zij dezelfde
die levensader in het landschap leek

bij lentedag. Nu ligt het lijf, dat vrij
en vrolijk buitelde doorheen de weiden
of aan een vlakland zich in vijvers vlijde,
goed ingedekt onder de blanke sprei.

Maar ergens aan een bocht, waar het verval
wat groter is, waar 't ijs niet heel en al
de bedding dekt en nog het water huivert,

hoort hij, die hare lente heeft bemind
en blij was om de weelde van dit kind,
het oud geluid verinnigd en gezuiverd.

(uit Bert Decorte,
Een Stillere Dag, 1942)

woensdag 16 september 2009

Jim Carroll : The Basketball Diaries

De Amerikaanse auteur, zanger en cultfiguur Jim Carroll is op 60-jarige leeftijd overleden aan een hartaanval. Carroll kreeg in 1963 een beurs om te gaan studeren aan de Trinity High School, een elitaire privé-school in New York. Hij was een getalenteerd basketbalspeler die gedurende zijn middelbare schooltijd deelnam aan de nationale jongerencompetitie en voor wie een grote toekomst in het basketbal leek weggelegd. Hij was in die periode echter ook verslaafd geraakt aan heroïne en om die dure verslaving te kunnen bekostigen was hij sedert zijn 13de begonnen met zich te prostitueren. Op 17-jarige leeftijd reeds debuteerde hij als dichter met de bundel Organic Trains. In de loop der jaren zouden nog een reeks bundels volgen. Zijn gedichten werden lovend ontvangen en hij werd in de armen gesloten door de beat poets Jack Kerouac en Allen Ginsberg. Omstreeks 1970 had ook Andy Warhol hem opgemerkt en kon hij als één van de vele Warhol-protégés beginnen in The Factory alwaar hij vooral scenario's schreef voor de films van de beroemde pop artist.

In 1978 publiceerde Carroll zijn autobiografische roman The Basketball Diaries, een bewerking van het dagboek dat hij tussen zijn 12de en 16de had bijgehouden en waarin hij verslag doet van zijn leven als heroïne-verslaafde tienerprostituée gepassionneerd door basketbal en poëzie. De roman vond een enorme weerklank en groeide uit tot een heus cultboek. In 1995 verscheen de uitstekende verfilming van het boek, eveneens The Basketball Diaries getiteld, met een jonge Leonardo DiCaprio in de hoofdrol van Jim Carroll.

Op aanraden van zijn goede vriendin Patti Smith richtte Carroll in 1978 de punkgroep The Jim Carroll Band op waarin hijzelf de rol van zanger/tekstdichter opnam. Hun debuutplaat Catholic Boy (1980) was een underground succes. De bijhorende single 'People Who Died' werd zelfs gebruikt in de soundtrack van E.T. en gecovered door John Cale. Nog enkele platen volgden in de jaren daarop, maar uiteindelijk zou Carroll zich toch weer meer gaan toeleggen op de literatuur. Op het ogenblik van zijn hartaanval zat hij aan zijn bureau te werken aan een nieuw boek.

Hieronder de videoclip van 'People Who Died' door The Jim Carroll Band (met enkele beelden uit de film The Basketball Diaries ertussen gezet).



Een fragment uit de film Poetry In Motion waarin Jim Carroll voordraagt uit zijn bundel The Book of Nods (tot 3:30, daarna is het Charles Bukowski) :



En tot slot een fragment uit de film met DiCaprio waarin Carroll geld wilt lenen van zijn moeder:

Keith Waterhouse : Billy Liar

De Britse auteur Keith Waterhouse is op 80-jarige leeftijd overleden in zijn slaap. Waterhouse publiceerde tijdens zijn schrijverscarrière 16 romans waarvan vooral Billy Liar (1959) uitgroeide tot cultboek. Billy Liar gaat over de 19-jarige Billy Fisher die werkt als klerk voor een begrafenisondernemer. Om aan de monotonie van zijn 'dead end job' te ontsnappen, vlucht hij constant weg in dagdromen waarin hij zichzelf in een veel belangrijker bestaan ziet schitteren (onder andere als gevierd schrijver in de grote stad), vergelijkbaar met het dagdromen van Walter Mitty in James Thurbers bekende kortverhaal The Secret Life of Walter Mitty. Billy is tevens een dwangmatige leugenaar, zodanig zelfs dat hij op een bepaald moment zogezegd verloofd is met drie verschillende meisjes. Paul Rodenko vertaalde de roman in het Nederlands onder de titel Een Geboren Leugenaar. Het boek werd in 1963 door John Schlesinger verfilmd met Tom Courtenay en Julie Christie in de hoofdrollen. Het werd eveneens bewerkt tot een toneelstuk, een musical en een tv-serie. Het boek was zo succesvol dat 'Billy Liar' uitgroeide tot een staande uitdrukking in het Engels waarmee een hardnekkige leugenaar wordt aangeduid, en het vond ook heel wat weerklank in de populaire cultuur, onder andere bij Morrissey die in teksten van The Smiths ettelijke keren verwijzingen naar de roman en de film aanbracht.

In alles wat hij schreef toonde Waterhouse zich in de eerste plaats een satiricus. Naast romans schreef hij een hele reeks toneelstukken die telkens een gegarandeerd succes waren in de Londense West End. Hij was ook scenarist van een aantal tv-series. Tevens was hij één van de meest gelezen columnisten van Groot-Brittannië. Hij schreef jarenlang een column voor The Daily Mirror en sinds 1986 voor The Daily Mail waar hij pas in mei van dit jaar gestopt was.

Hieronder de originele trailer van de film Billy Liar.

maandag 14 september 2009

Ida De Ridder : "Als wij dood zijn is 't gedaan"

Neen, er is geen wenden aan:
als wij dood zijn is 't gedaan.


Aldus schreef Willem Elsschot in zijn bekende gedicht 'Spijt' uit 1934, en ook voor zijn jongste spruit is het intussen gedaan. Elsschots dochter en biografe Ida De Ridder is immers op 91-jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van euthanasie. Ida De Ridder werd geboren in 1918 als jongste in een gezin van 6 kinderen. Haar vader was Alphons De Ridder, beter bekend onder zijn schrijversnaam Willem Elsschot.

De Ridder was één van de grootste autoriteiten wat betreft het leven en werk van haar vader. In 1994 publiceerde ze Willem Elsschot, mijn vader, waarschijnlijk dé definitieve biografie over de grote Vlaamse schrijver. Ze schreef in 2002 nog een tweede autobiografisch boekje over hem, genaamd Willem Elsschot en de Piano. Hierin doet ze het verhaal hoe Elsschot tijdens de Tweede Wereldoorlog de jood Rudi Lek en zijn kostbare Bechsteinpiano redde uit de klauwen van de nazi's. Een verhaal dat volgens haar best wat aandacht verdiende, al was het maar als tegengewicht voor die grote schandvlek op Elsschots nalatenschap, zijn lofdicht ter ere van de beruchte collaborateur August Borms bij diens executie in 1946. Op vraag van haar uitgever vereeuwigde Ida ook haar moeder in de biografie Fine. Levenslang met Elsschot.

Niet alleen was De Ridder een groot kenner van haar vaders werk, maar als een soort 'curator' zette ze zich ook in voor het behoud van zijn literaire archief in zijn integraliteit en voor de erkenning ervan als Vlaams cultureel erfgoed. In 2004 wilden enkele kleinkinderen van Elsschot delen van het archief (eerste drukken en brieven) her en der gaan verkopen. Via een kortgeding kon De Ridder dit voorkomen. Later legde de familie hun geschil bij en beslisten ze dat het archief als één onverdeelbaar geheel moest worden beschouwd. Deze maand kwam dan de beslissing dat de Stad Antwerpen en de Vlaamse Gemeenschap het archief samen zouden aankopen. Hierdoor kon Ida De Ridder met een gerust hart afscheid nemen van het leven. Haar beslissing om tot euthanasie over te gaan, omschreef ze zelf als een keuze voor 'een goede dood'.

Via deze link kan men een interview uit 2008 bekijken, waarin de kranige oude dame op de haar eigen gereserveerde manier herinneringen ophaalt aan haar beroemde vader. En hieronder een filmpje waarin ze zijn gedicht 'Tot den arme' voordraagt.

vrijdag 4 september 2009

Christine d'Haen : de grande dame van de Vlaamse poëzie

DAIMOON MEGAS

Mijn daimoon bedroefde bij nacht mijn bloed:

het hoofd in uw armen, het hoofd van een man,
het is niets. En uw dagen en nachten zijn niets
dan een schaduw van schaduwen; al wat gij doet,

het is niets: en het vlees dat gij eet, en het bloed
dat gij drinkt, het is niets. Verfoei ook den geest!
Want de ziel die gij eet, het visioen dat gij drinkt,
het is niets. En zo al wat gij zoekt, wat gij doet,

het is niets. Het is minder dan de as en het schuim.
En de mond op uw hart, het is niets. Als het zand
aan de zee is u alles, en minder dan as
van het vuur, en uw dromen zijn minder dan puin.

Want al wat gij drinkt en verteert, alles voedt
slechts mij, en de macht is aan mij, echter gij,
gij zijt niets dan een schaduw, en ik ben die leven
in doodsstrijd en sterven al levende doet.

Ik slechts verzwijg u. - Mijn daimoon bij nacht
bedroefde mij bitter. - En 't hoofd in mijn arm,
het hoofd van een man, het is niets. Het is niets
dan een aangezicht, sluimrend, vol koelte en zacht.


(uit Christine d'Haen, Miroirs - gedichten vanaf 1946, 2002)

De Vlaamse dichteres Christine d'Haen is op 85-jarige leeftijd overleden na een slepende ziekte. d'Haen werd in 1923 geboren in Sint-Amandsberg. Ze groeide op in een katholiek milieu dat haar latere werk sterk zou beïnvloeden. Ze ging Germaanse filologie studeren aan de universiteit van Gent. Na haar studie ging ze aan de slag als leerkracht Engels in het secundair onderwijs.

In 1958 debuteerde ze als dichteres met de bundel Gedichten 1946-1958. Bij haar generatiegenoten de Vijftigers was op dat moment de experimentele uitbundigheid de mode du jour. d'Haen ging daar lijnrecht tegenin met haar bijzonder classisistische werk waarin metrum en sterk vormbewustzijn in het algemeen erg belangrijk was. d'Haen schreef barokke, maniëristische gedichten die bol stonden van weelderige stijlfiguren, sacrale beeldspraak en haast zintuiglijk estheticisme, dat alles gespekt met een zondvloed aan bijbelse, historische, mythologische en literaire associaties. Vooral Dante, Geoffrey Chaucer, John Milton, John Donne, Joost van den Vondel en de door haar sterk bewonderde T.S. Eliot en Ezra Pound passeerden geregeld de revue. Ze vertaalde trouwens de poëzie van Eliot in het Nederlands.

Naast dichteres was Christine d'Haen ook een autoriteit wat betreft het werk van Guido Gezelle. Reeds vroeg in haar schrijverscarrière had ze zijn gedichten vertaald in het Engels. In de jaren '70 kreeg ze de kans om de handschriften van Gezelle te gaan inventariseren. Dit werk zou uiteindelijk leiden tot haar Gezelle-biografie De wonde in 't hert (1987), misschien wel dé definitieve biografie van de grote West-Vlaamse priester-dichter.

Nog vòòr haar debuut was verschenen en ze slechts gepubliceerd had in Dietsche Warande en Belfort had Christine d'Haen in 1951 reeds de Arkprijs van het Vrije Woord gekregen. Vele onderscheidingen zouden in de loop der jaren volgen, onder andere een eredoctoraat van de Gentse universiteit. In 1992 schoot d'Haen de hoofdvogel af toen ze de Prijs der Nederlandse Letteren ontving uit handen van koningin Beatrix. De Prijs der Nederlandse Letteren is de belangrijkste literaire onderscheiding in het Nederlandse taalgebied en wordt slechts om de drie jaar uitgereikt. Het was de eerste keer sinds het ontstaan van de Prijs in 1956 dat een vrouw ermee aan de haal ging (Hella Haasse heeft haar sindsdien vergezeld).

Over het gedicht Daimoon Megas dat u hierboven kon lezen schreef Gerrit Komrij in zijn bloemlezing In Liefde Bloeyende (bevat zowat de gehele canon van de all time Nederlandstalige poëzie in 100 gedichten) dat hij, mocht hij als anderstalige geboren zijn, enkel en alleen al om dit gedicht te kunnen lezen Nederlands was gaan studeren.

Geen geschikte YouTube-filmpjes gevonden, maar via deze link kan u Christine d'Haen wel iets horen voordragen.

dinsdag 25 augustus 2009

John Vermeulen : sciencefiction uit Vlaanderen

De Vlaamse auteur John Vermeulen is op 68-jarige leeftijd overleden. Vermeulen werd in 1941 geboren te Antwerpen. Op zijn veertiende reeds publiceerde hij zijn eerste boek, de sciencefictionroman De Vervloekte Planeet. Na zijn afstuderen werkte hij enkele jaren als technicus op een schip en later ging hij in dienst bij Coca Cola. Ondertussen verscheen er ook geregeld een scifi-roman van zijn hand. Vermeulen, een gepassioneerd zeiler, kreeg de kans om echt van zijn pen te gaan leven toen hij hoofdredacteur werd van enkele Belgische watersportmagazines.

Zijn meest succesrijke periode als schrijver kwam er in de jaren '80 toen hij de sciencefiction inruilde voor het meer lucratieve thrillergenre. Op enkele jaren tijd schreef hij een half dozijn luchtige thrillers rond het personage Ansen Wagner, een soort vrouwelijke James Bond met feministische trekjes. Vermeulen was een literaire duizendpoot die zowat alles schreef wat enigszins verkocht. Onder zijn eigen naam (soms gebruikte hij het chiquere John C. Vermeulen) alsook onder de pseudoniemen John Linden en Tessy Bénigne schreef hij karrenvrachten boeken: scifi en thrillers, maar ook horror, historische romans, kinderboeken, non-fictie (waaronder zelfs een kookboek) en blijspelen. Hij was ook auteur van een reeks Vlaamse Filmpjes en publiceerde kortverhalen in Playboy en Penthouse. Onder het pseudoniem Tessy Bénigne, zogezegd een ex-hoertje dat haar memoires schreef, publiceerde hij zelfs enkele erotische romans. Johan Anthierens trapte er volledig in en schreef een lange en lovende recensie voor De Volkskrant.

De laatste jaren kende John Vermeulen weer een revival. Hij was intussen teruggekeerd naar de boeken waar hij mee begonnen was en die hij zelf het liefste schreef, namelijk de sciencefictionromans. Zijn roman Ring van Eeuwigheid uit 2002 wordt algemeen beschouwd (en ook door Vermeulen zelf) als zijn magnum opus. Het is een bijzonder lijvige metafysische roman die motieven als het raadsel 'tijd', ufo's, de missing link en de Bermuda-driehoek aanpakt (en aan dat alles zogezegd een sluitende verklaring geeft). Het werk van John Vermeulen werd vertaald in onder andere het Duits, Japans, Spaans, Hongaars, Frans en Engels. Vooral in Duitsland was hij populair. Van de Duitse vertalingen van zijn historische romans over Pieter Bruegel, De Ekster op de Galg (1992), en Jeroen Bosch, De Tuin der Lusten (2001), werden honderdduizenden exemplaren verkocht. In Vlaanderen werd, tot grote frustratie van Vermeulen, echter vaak de neus opgehaald voor sciencefiction van eigen bodem en blijft men liever zweren bij de gevestigde angelsaksische waarden.

vrijdag 31 juli 2009

Michael Zeeman : de literatuurpaus van Nederland

De Nederlandse literatuurcriticus en dichter Michael Zeeman is op 50-jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van een hersentumor. Zeeman werd in 1958 geboren in Marken in Noord Holland als zoon van een domineesgezin. Met zijn ouders had hij een problematische verhouding. Hij bolde het thuis af op zijn zeventiende en zou nooit meer een voet in het ouderlijk huis zetten. Sinds eind jaren '70 schreef hij boekrecensies voor De Leeuwarder Courant en voor NRC Handelsblad. In 1991 begon hij te werken voor De Volkskrant waar hij tot zijn dood in dienst zou blijven. Hij was zelf ook auteur van 3 dichtbundels, een verhalenbundel en enkele essays. Alhoewel zijn literair werk steeds lovend ontvangen werd, bleef zijn oeuvre dus vrij beperkt. In 1991 kreeg hij de C. Buddingh'-prijs voor zijn bundel Beeldenstorm.

Zeeman stond bekend omwille van de genadeloze manier waarop hij de door hem gerecenseerde boeken met zijn vlijmscherpe pen vaak de grond in boorde. Van 1995 tot 2002 presenteerde hij op de VPRO het boekenprogramma Zeeman met boeken waarin hijzelf samen met enkele andere auteurs en recensenten pas verschenen boeken besprak. Ook hier was de kritiek vaak enorm hard en werden bepaalde boeken en auteurs geregeld neergesabeld. De vaak nogal pretentieuze conversaties en intellectuele hoogdravendheid in dit programma waren een bron van ergernis voor heel wat kijkers en auteurs, onder andere voor de bekende schrijver Joost Zwagerman, die er eufemistisch gezegd niet bepaald een fan van was en zelf een jarenlange vete had met Zeeman. Dit lag voor een groot stuk aan het karakter van Zeeman, die bekend stond als rancuneus en bijzonder arrogant (zoals zelfs zijn vrienden toegeven). In de jaren na het programma verhuisde hij naar Rome omdat hij het met Nederland wel gezien had. Hij was er correspondent voor De Volkskrant.

Michael Zeeman zal waarschijnlijk vooral herinnerd worden omwille van zijn giganteske leesdrift en zijn verzamelwoede op boekengebied. Zijn goede vriend professor Willem Otterspeer noemde hem "de allergrootste lezer die Nederland in de 20ste eeuw heeft gekend". Hij bezat een persoonlijke bibliotheek van maar liefst 40.000 boeken.

De criticus in deze man kan u aan het werk zien in dit YouTube-filmpje met een fragment uit Zeeman met boeken.




En, alhoewel hij een soort parlando-poëzie schrijft waar ik persoonlijk niet bepaald storm voor loop, kunnen we Michael Zeeman natuurlijk het beste eren door hier één van zijn gedichten te plaatsen:
HALVERWEGE, DE DOOD

Er verstreek geen week of wij spraken
de doodstille nacht aan, vonden blindelings
code en toon. Ik sprak over lezen en leven,
ik hoorde van het verre voortbestaan -

’t was avond, ’t was laat, een zacht zoemen
opende verten, kamers die ik kende, een stoel
waarin ik zat, een glas waaruit ik dronk,
al in geen honderd jaar is afstand een bezwaar.

Mijn lieve kalme vriend, wie heeft dat ene wel
heel onbenullige adertje in jouw nog lang niet grijze kop
kapot geprikt, die dunne wand gescheurd en al dat
doodgemoedereerde bloed door jouw hersens

heen gejaagd, je liefde en je kalmte verzopen
tot een hopeloze black pudding, die had ik niet besteld?

Een man stierf op een donderdag in mei,
rond middernacht. Zijn lijk lag onderaan
de trap en lag daar al toen ik die nacht
mijn laptop afsloot en mijn glas vol schonk.

Het duurde maanden. Omstreeks dat trouwe uur
klonk in zijn lege almaar kouder wordend huis
dat vriendelijke en uitnodigende, nieuwsgierig makende -
want geen zee en geen hemel, geen dalen nabij.

Ik wil een toestel in zijn graf, dat bel ik dan,
zodat, al kan hij niet meer spreken, hij weet
dat ik hem spreken moet. De wormen die hem slopen
een maal per dag aan het schrikken maken kan.

(uit Michael Zeeman, cyclus Halverwege, de liefde; halverwege, de dood, oorspronkelijk verschenen in
Optima : cahier voor literatuur en boekwezen, jaargang 2001)

vrijdag 24 juli 2009

Marcel Van Maele : de jonge wilde van Vlaanderen

BRAKKE WOORDEN STIKKEN STILLE WENSEN
Blakend van gezondheid
blozend van schaamte
rijdt de tijd

in deze bloeiende slachttijd op en neer.

Met flarden vlees'n homp honger stillen,
met 'n beker bloed de dorst.
Bij iedere halte: overstappen,
bij ieder licht: overleven.

Dat is geen veelbelovend begin
voor dat veelbelovend leven.

Zie hoe het reeds duistert in de hand,
hoe het licht zich zoekt,
hoe lachende leugens
heel even
de gesluierde waarheid beroeren.

Blakend van gezondheid,
blozend van schaamte
stopt de tijd en valt uiteen

(uit Marcel Van Maele, Krassen in wat was, 2001)

De Vlaamse dichter en kunstenaar Marcel Van Maele is op 78-jarige leeftijd overleden. Van Maele werd geboren te Brugge in 1931. Als 14-jarige begon hij aan een zwerversleven dat hem doorheen 30 landen en nog veel meer beroepen leidde. In de jaren 1952-1953 was hij onder andere vrijwillger voor de VN in Korea. Pas in 1956 vestigde hij zich terug in België. In de jaren die volgden werd hij verscheidene malen gearresteerd en hij kwam ook een tijd in de psychiatrie terecht.

Van Maele debuteerde in 1956 met de bundel Soetja. Later zouden nog zo'n 25-tal bundels volgen naast enkele romans en toneelstukken. In 1962 was hij één van de oprichters van het literaire tijdschrift Labris waarin de experimentele dichters van de jaren '60 zich manifesteerden. Deze poëziestroming zou bekend gaan staan als de 'jonge wilden van Vlaanderen', of ook wel de Zestigers, en Van Maele was één van de belangrijkste dichters in deze beweging. Voor zijn bundel Ik ruik mensenvlees, zei de reus kreeg hij in 1972 de Arkprijs voor het Vrije Woord en in 1996 kreeg hij de August Beernaertprijs. Eén van de voornaamste thematieken doorheen zijn oeuvre is het conflict tussen de absolute vrijheid en de druk van de maatschappij en de realiteit die die vrijheid willen beperken. Over zijn gedichten zei hij in een interview in 2001 het volgende: "Mijn gedichten gaan over het zijn, niet zijn, het leven, de dood, de liefde soms, soms een beetje veel. Alle poëzie gaat daarover maar andere dichters hebben vaak een antwoord klaar: ik niet, ik heb geen oplossing. Voor mij is poëzie het benaderen van het onbekende, het benaderen van de grote levensvragen. Maar die vragen zijn dikwijls zo gecompliceerd dat je ze op den duur zelf niet meer begrijpt als je er teveel mee bezig bent. Het is een vorm van koorddansen. Want aan de andere kant: als ik wel weet wat het is, hoef ik er niet meer over te schrijven."

Naast dichter was Van Maele ook beeldend kunstenaar. Hij was goed bevriend met Marcel Broodthaers (die van de beruchte 'Mosselpot') en sterk door hem beïnvloed. Zo maakte hij een installatie van flessen met vleugels waarin gedichten zaten en die stuurde hij dan het luchtruim in (zie foto rechts). Ook bewaarde hij boeken in bokalen met sterk water.

Van Maele stond bekend als een ietwat excentrieke figuur en een echt podiumbeest in zijn jongere jaren. Hij was al sedert midden jaren '80 volledig blind en liet zich tijdens voorleesopdrachten souffleren door een cassetterecorder. Marcel Van Maele was in de latere decennia van zijn leven een beetje een vergeten dichter aan het worden. Alhoewel zijn uitgever hem op hun website 'een haast legendarische figuur' noemt, bestond er op het moment van zijn overlijden niet eens een aan hem gewijd artikel op de Nederlandstalige Wikipedia.

Als uitsmijter nog een gedichtje dat ik niet slecht vond:

Amper halfweg,
na een lange tocht met vermolmde spanen,
kroop de zeerover op een verlaten strand
aan land en riep:
'Hoera, hier ben ik!'

Maar niemand
wou z'n ooglap
ruilen voor een bedelstaf.

Nu zit hij hier als een blinde vink
op een betonnen muur
z'n verleden te bezingen.

(uit Marcel Van Maele, Een rechthoek op het verkleurd behang, 1986)

zondag 12 juli 2009

Simon Vinkenoog : "Laten we het mooi houden, er vooral geen literatuur van maken"

BLOEDGANG

er is het onderhuids verraad
dat elk verweer aan stukken slaat
mijn verweer -- het geweer
op mijzelf gericht
de eigen klap
in het eigen gezicht
de opgebroken straat
het huis dat aan het water staat
herinnering
aan het foetus-zijn
de deur intrappen met ogen dicht
en reeds het bankroet van de laatste snik
de laatste adem
het laatste gedicht

(uit Simon Vinkenoog,
Wondkoorts
, 1950)
De Nederlandse dichter Simon Vinkenoog is op 80-jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van een hersenbloeding. Vinkenoog werd geboren op 18 juli 1928 in Amsterdam. Op 21-jarige leeftijd trok hij naar Parijs. Daar kreeg hij een job bij de Unesco die hij jarenlang zou blijven uitoefenen. Maar vooral kwam hij in Parijs in contact met Karel Appel en Hugo Claus, twee avantgardistische jonge kunstenaars die een enorme invloed zouden ontwikkelen op de zich vormende dichtersziel van Vinkenoog. Omstreeks die tijd begon Vinkenoog met de publicatie van zijn in eigen beheer uitgegeven literaire tijdschrift Blurb. Hierin verscheen naast gedichten van hemzelf ook werk van andere experimentele dichters zoals Lucebert, Hugo Claus, Remco Campert, Paul Rodenko, Armando, Hans Andreus en de toen reeds gestorven maar bijzonder invloedrijke Hans Lodeizen. Samen met het meer bekende Braak van Campert en Rudy Kousbroek luidde Blurb het begin in van de belangrijkste vernieuwing in de Nederlandstalige poëzie sinds de Tachtigers een eeuw eerder. Deze stroming zou bekend worden als de Vijftigers, of ook wel de 'atonale dichters' naar de bloemlezing Atonaal die Vinkenoog in 1951 samenstelde. Het achtste en laatste nummer van Blurb dat in 1951 verscheen besloot Vinkenoog met de woorden: "Dit is nummer 8 van Blurb geweest. Laten we het mooi houden, er vooral geen literatuur van maken."

Vinkenoog debuteerde als dichter in 1950 met de bundel Wondkoorts. In de loop der jaren volgen nog zo'n twintigtal bundels. In zijn latere jaren schrijft hij ook 'netgedichten' die hij publiceert op zijn eigen webstek. Vinkenoog, die zelf soms de 'beat poet van Nederland' werd genoemd, was bevriend met de beroemde Amerikaanse dichter Allen Ginsberg en vertaalde ook diens werk in het Nederlands.

Na de jaren '50 groeide Vinkenoog uit tot een kleurrijke figuur in de media, een soort nationale hofnar eigenlijk, die vooral bekend werd als de 'wietambassadeur' van Nederland vanwege zijn legendarische drugsgebruik en zijn ettelijke gevangenisstraffen daarvoor. Naar aanleiding van zijn dood wordt in de media vooral gefocust op zijn experimenten met LSD en oosterse mystiek, zijn 6 huwelijken, zijn muzikale collaboraties met Spinvis en zijn opkomst op de lijst van een marginale politieke partij in 2006. Het weze bij deze vermeld, maar laten we Simon Vinkenoog toch maar herinneren als die begenadigde vernieuwende dichter die hij ooit was.

Hieronder nog een paar YouTube filmpjes waarin de dichter voordraagt uit eigen werk.



dinsdag 20 januari 2009

Wil Huygen : Leven en werken van de Kabouter

De Nederlandse auteur Wil Huygen is vorige woensdag in zijn woonplaats Bilthoven gestorven op 86-jarige leeftijd. Het overlijden werd nu pas bekend gemaakt. Huygen was vooral bekend van het boek Leven en werken van de Kabouter en de sequel De Oproep der Kabouters die hij samen met tekenaar Rien Poortvliet schreef. De 2 leerden mekaar begin jaren '70 kennen tijdens het jagen en in 1976 zag Leven en werken van de Kabouter het licht. Het werd een enorme bestseller die vorig jaar zijn 60ste druk kende. Huygen werd wereldberoemd nadat de Engelse vertaling Gnomes werd gepubliceerd. Het is overigens vertaald in 21 talen.
Leven en werken van de Kabouter is een "wetenschappelijk" werk waarin Huygen de leefgewoonten, voeding, habitat, geschiedenis, verschillende species, anatomie etc van kabouters analyseert. Het boek werd geschreven met instemming van de kabouters. Postuum zal dit jaar nog het derde kabouterboek van Wil Huygen, getiteld De Wereld van de Kabouter, worden gepubliceerd.

dinsdag 4 november 2008

Michael Crichton: Mr. Jurassic


John Michael Crichton is vandaag, op 66-jarige leeftijd gestorven aan de gevolgen van kanker.
Crichton was actief als auteur, scenarioschrijver, regisseur en film- en televisieproducer. Zijn bekendste werk is waarschijnlijk wel Jurassic Park uit 1990, verfilmd door Steven Spielberg. Deze roman kan gelden als een schoolvoorbeeld van Crichtons belangrijkste thema: het onvermijdelijke falen van complexe technologische systemen en de futiliteit van de daarin ingebouwde veiligheidsmechanismen.
Voor de literatuurwetenschappers onder ons: Crichton maakte vaak gebruik van de literaire techniek false document. Zijn verhalen werden voorzien van realistisch aandoend bronnenmateriaal, zoals citaten uit wetenschappelijke teksten, DNA-sequenties of computergrafieken, zodat de tekst het effect van een maximale suspension of disbelief op de lezer kan sorteren.

dinsdag 16 september 2008

Giorgio Bettinelli : Vespaman

Giorgio Bettilenelli is in het zuiden van China overleden aan een infectie. Bettinelli werd beroemd vanwege zijn Vespa-escapades. Met zijn scooter maakte hij talrijke verre reizen, waarover hij vervolgens reisboeken schreef. In 1992 reed hij op zijn Vespa van Rome naar Ho Chi Minh-stad in Vietnam; die reis werd beschreven in het in 1997 verschenen boek Vespa. Van 1994 tot 1995 bromde Bettinelli van Alaska naar Vuurland, in het uiterste zuiden van Zuid-Amerika - een slordige 36.000km. In 1997 begon hij een reis die drie jaar zou duren. Hij doorkruiste Chili, de Verenigde Staten, Siberië, Europa, Afrika, Azië en zelfs Oceanië, waar hij in 2000 aankwam in Tasmanië. De Vespa-avonturier had zijn eigen fanclub op het internet (http://www.giorgiobettinellifansclub.it/, bekijk onderaan bij Gallery bijvoorbeeld eens 'All China by Vespa' of 'In Vespa per l'Africa'). De Vespaman werd slechts 53. Hij en zijn scooter hebben in totaal 254.000km afgelegd.

woensdag 19 maart 2008

Het hemelse verdriet om Hugo


Daar ligt hij dan. Hugo Claus, geëuthaniseerd. Geveld op eigen verzoek, de eik en de eikel van de Vlaamse literatuur. Sinds enkele uren zijn alle overzichten van de Vlaamse literatuur gedateerd: niet langer is Hugo Claus de grootste nog levende Vlaamse auteur. Waarom wordt de jarenlang gedoodverfde maar nu dode en dus defintief gediskwalificeerde Nobelprijswinnaar hier op het eerste zicht nogal respectloos als eik en tegelijk eikel omschreven? Omdat malle Hugo zelf niets anders gewild had natuurlijk. In zijn werk streefde hij er immers naar het banale en het verhevene tot iets unieks te versmelten (tiens, waar hebben we dat nog gehoord?).
Dit blijkt wanneer ik hier even door zijn kolossale verzamelbundel "Gedichten 1948-1993" (1109 blz., en ook na 1993 volgden nog ettelijke verzen) blader. Gedichten over Parmenides, Cellini of Flaubert worden afgewisseld met scabreuze odes als "De geur van haar kut&kont verwart haar" of de simpele maar dodelijk doeltreffende zelfspot van "word ik nog ooit de teenager van de week?"

Jammer dus dat enkel die paar toegankelijke en hopeloos romantische gedichten (Als dan het koperen keteltje vol as, en ja ook het gelijnd muziekpapier zal ons weer door de strot geramd worden) de komende dagen tot in den treure herhaald zullen worden. Net als fragmenten uit dat ene magnum opus, het dit jaar vijfentwintig winters jonge het verdriet van België. Terwijl veelzijdigheid nu net zijn grootste kracht was.

Veelzijdigheid. Alle kunsttakken in zich hebben, en op alle vlakken ook nog eens zoveel mogelijk de herhaling vermijden. Het begon al met zijn romandebuut, het haast vergeten "De Metsiers" uit 1950, een streekroman die elk werk in dit genre (even goed luisteren beste Mortieren en Pleysieren van deze wereld) wat nog zou volgen al voor verschijnen stilletjes in een hoekje laat verdwijnen. Een volledige opsomming van hoogstpersoonlijke hoogtepunten is, om al maar meteen de titel van een prachtige dichtbundel van onze reus te citeren, onbegonnen werk. Op prozagebied moeten zeker het gelaagde "De verwondering", het ronduit geile "Jessica!", het bevreemdend autobiografische "het jaar van de kreeft" en vooruit dan maar, je kan er niet omheen, dat stuk verdriet vermeld worden. Als dichter bereikte Claus al erg vroeg zijn top, met de revolutionaire bundel "De Oostakkerse Gedichten" waarmee hij de taal torpedeerde zoals in Vlaanderen niemand hem ooit voorgedaan had, en ook nimmer meer zou nadoen. Als toneelschrijver duldde ons eikeltje al helemaal geen concurrentie in het Nederlandse taalgebied: Suiker, Vrijdag, Het Leven en de Werken van Leopold II, het waren stuk voor stuk taboedoorbrekende werken die ook vandaag nog actueel zijn. En moest dit artikel niet al veel te lang zijn, ik zou ook nog eens stille staan bij zijn rol als Cobraschilder, beeldhouwer, scenarist en regisseur van talloze (toegegeven, soms nogal bedenkelijke) Vlaamse films.

Laat het ons herhalen als de Alzheimerpatiënt die hij niet wou worden: Hugo Claus is dood. Hugo Claus is dood. Hugo Claus is dood. Hugo Claus...

Childhood's End: Arthur C. Clarke begint zijn laatste Odyssee


Vandaag stierf, op negentigjarige leeftijd, Arthur C. Clarke, een van de belangrijkste sciencefictionauteurs van de twintigste eeuw. Clarke werd beroemd om zijn succesvolle samenwerking met regisseur Stanley Kubrick, waaruit het fantastische 2001: A Space Odyssey ontstond. Kubrick nam de film voor zijn rekening, Clarke de roman.

Samen met Isaac Asimov en Robert A. Heinlein maakte Arthur C. Clarke deel uit van de Heilige Drievuldigheid van het Gouden Tijdperk van de sciencefiction, in de jaren vijftig en zestig. Waar hun voorgangers uit de jaren dertig en veertig nog nerdige wetenschappertjes waren die af en toe wat flinterdunne verhaaltjes publiceerden in de talloze sciencefictiontijdschriften van de Verenigde Staten, behoorden zij tot een generatie schrijvers die, goed op de hoogte van de nieuwste wetenschappelijke kennis, een kijkje gingen nemen over het hek bij de buren van de mainstream literatuur. Zo konden zij hun - vaak briljante - wetenschappelijke ideeën verkondigen met behulp van de technische kunde van hun collega-literatoren uit de "serieuze" tak van de Amerikaanse letterkunde. Deze laatsten gingen dan later op hun beurt weer te leen bij deze vreemde mannetjes, die zich met buitenaardse wezens, tijd- en ruimtereizen en computers bezighielden, en deze wederzijdse uitwisseling van ideeën en technieke versnelde tot sciencefiction een volwaardige - en vaak niet te onderscheiden - tak van de postmodernistische literatuur werd.

Maar hoe zeer Clarke en zijn collega's ook gelauwerd werden als auteurs, in de eerste plaats waren zij wetenschappers. Clarke publiceerde uitgebreid in de wetenschappelijke vakpers en hij heeft talloze uitvindingen op zijn naam staan. De bekendste is waarschijnlijk wel de geostationaire communicatiesatelliet. De baan waarin deze tuigen rond de aarde cirkelen, op 36.000 km hoogte en op een vast punt boven de evenaar, heet dan ook officieel het Clarke orbit.

Clarke's belangrijkste literaire wapenfeit blijft 2001: A Space Odyssey uit 1968. Samen met Stanley Kubrick werkte hij het verhaal uit, waarbij zij zich baseerden op enkele vroegere kortverhalen van Clarke, voornamelijk The Sentinel uit 1951. Terwijl hij dat verhaal dan tot een roman verwerkte, draaide Kubrick de legendarische prent, die nog steeds te boek staat als een van de belangrijkste films uit de geschiedenis.

Arthur C. Clarke schreef honderden romans, kortverhalen en wetenschappelijke essays. Zijn laatste werk, de roman Firstborn, werkte hij af in 2007.



Meer informatie.

donderdag 30 augustus 2007

Michael Jackson voor altijd droog


Bierkenner Michael Jackson is op 30 augustus op 65-jarige leeftijd van ons heengegaan. Jackson was befaamd bierkenner en hij publiceerde talloze boeken over veelkleurig gerstennat en andere geestrijke dranken. Hij wordt vaak beschouwd als een belangrijke bijdrager aan het internationale succes van Belgische bieren. Een hartaanval werd hem fataal.

Meer informatie.