zondag 4 april 2010

Rudy Kousbroek : het vakantiegevoel van een jappenkamp

De Nederlandse auteur Rudy Kousbroek is op 80-jarige leeftijd overleden. Kousbroek werd in 1929 geboren op Sumatra in Nederlands-Indië en kwam pas na de oorlog naar Nederland. Kousbroek debuteerde in 1951 met de gedichtenbundel Tien variaties op het bestiale maar besefte al gauw van zichzelf dat hij als dichter slechts "goede middelmaat" was zoals hij het zelf verwoordde. Toch heeft hij een belangrijke bijdrage geleverd aan de vernieuwing van de Nederlandstalige poëzie. In 1950 richtte hij namelijk met zijn Parijse studiegenoot Remco Campert het poëzietijdschrift Braak op. Samen met dat andere tijdschrift Blurb van de vorig jaar gestorven Simon Vinkenoog, werd Braak het podium waarop de Vijftigers, de experimentele dichters van de jaren '50 waaronder Lucebert en Gerrit Kouwenaar, zich voor het eerst aan de wereld zouden presenteren. Kousbroek werd daarna vooral bekend omwille van zijn essays die steeds doorgedreven rationalistisch en empirisch, en tegelijkertijd vaak ook bijzonder polemisch en humoristisch van aard waren. Hij had een megalomane reeks van onderwerpen maar zijn stokpaardjes waren toch vooral filosofie, geschiedenis, wiskunde en dieren, met name de door hem zo geliefde katten. Voor zijn essayistisch werk kreeg hij in 1975 de P.C. Hooftprijs. Kousbroek was een veelzijdig schrijver die in de loop van zijn carrière naast karrenvrachten essays ook onder andere fotoboeken, sprookjes en een roman publiceerde. In de laatste jaren van zijn leven had de grote dierenliefhebber zich ook politiek geëngageerd en was hij enkele keren lijstduwer geweest voor de Partij voor de Dieren.

Zijn magnum opus is ongetwijfeld Het Oostindisch kampsyndroom uit 1992, een boek met lange autobiografische bespiegelingen, vooral over zijn jeugd op Sumatra. Kousbroek had bijna de hele Tweede Wereldoorlog in een jappenkamp doorgebracht. In het boek schreef hij dat hij het jappenkamp als een "vakantiekamp" had ervaren, vooral in vergelijking met het internaat waar hij daarvoor op school zat. Tevens vond hij de voorstelling van vele overlevenden systematisch overdreven en soms zelfs ietwat racistisch. Zo trok hij onder andere van leer tegen de manier waarop Jeroen Brouwers in diens autobiografische roman Bezonken Rood de jappenkampen had geportretteerd. Brouwers was immers van mening dat deze even afschuwelijk waren geweest als de Duitse kampen. Met zijn uitlatingen haalde Kousbroek zich de woede van Brouwers en vele andere overlevenden van de jappenkampen op de hals.

Het zou ongetwijfeld gepaster zijn om Rudy Kousbroek hier te eren met een essay dan met een gedicht vooral omwille van de eerlijke bedenkingen van hemzelf (en van mij) bij zijn poëtisch talent, maar om praktische redenen zal dat niet lukken. In 2003 publiceerde hij toch nog eens een bundel waaruit wij het volgende gedicht plukken.

OUDE SCHADUWEN

Ik heb nog een collectie heel oude schaduwen,
Sommige half vergaan en kwetsbaar,
Een paar nog uit de 18e eeuw.

Kinderschaduwen uit Antwerpen,
De schaduw van een rode lelie,
Een meeuwenschaduw uit Den Helder.

En uit de tijd van Koningin Emma,
Gerafeld maar nog goed herkenbaar,
Schaduwen van grijze dames.

De schaduw van een boom in Frankrijk,
Een vleermuisschaduw uit Zuid-Limburg,
Een grote vliegtuigschaduw uit de oorlog.

Vergeten schaduwen in een lade,
Voel maar, koel als tafelzijde,
Sommige zo fijn als spinrag.

Je moet ze weer netjes opvouwen,
Zorgen dat ze niet scheuren,
En ze beschermen tegen het licht.

(uit Rudy Kousbroek,
Dierentalen en andere gedichten, 2003)

Geen opmerkingen: