donderdag 28 januari 2010

J.D. Salinger: De Vanger In Het Koren Neergemaaid


Het gebeurt zelden dat we hier het volledige oeuvre van een groot overleden schrijver kunnen opsommen, maar bij het werk van J.D. Salinger volstaat één zin. Jerome David Salinger publiceerde bij leven en welzijn zijn debuutroman The Catcher In The Rye (1951), een verzameling kortverhalen getiteld Nine Stories (1953), de roman Franny and Zooey, twee novelles verzameld in één kaft getiteld Raise High The Roof Beam, Carpenters and Seymour: An Introduction(1963), en verder enkel nog een aantal uitsluitend in The New Yorker gepubliceerde kortverhalen en novelles, waarvan Hapworth 16, 1924 uit 1965 het laatste was. Een op het eerste gezicht erg summiere literaire erfenis, maar toch zullen weinig hedendaagse critici durven betwisten dat ons vandaag één van de grootste auteurs van de twintigste eeuw verlaten heeft.

Voor vele lezers over de hele wereld was zijn debuutroman zelfs het allerbeste boek dat ze ooit lazen. The Catcher In The Rye heeft ook vandaag nog enkele van de origineelste, grappigste en tegelijk ontroerendste (lees)uren uit een mensenleven in de aanbieding. Het meesterwerk verhaalt in de ik-persoon een korte periode uit het leven van de van een eliteschool weggestuurde Holden Caulfield. De figuur van Holden blijft een iconische held van elke adolescent: hij zet zich af tegen het lege leven der volwassenen, benadrukt het belang van loyaliteit en uit zijn twijfels en tienerangsten in een zeker voor de jaren vijftig revolutionaire taal. Salinger bezigt als allereerste de jongerentaal van de straat; een oplettende (katholieke) lezer telde in de volledige tekst 236 keer het woord "goddam", 58 maal "bastard" en zes keer "fuck". Zelfs de meest godsvrezende critici konden echter niet verhinderen dat de vonkende noodzaak van dit boek dadelijk na zijn verschijnen de Amerikaanse jeugd bij het nekvel greep. In nog geen twee maanden beleefde The Catcher In The Rye acht herdrukken, en generatie na generatie jongeren zou ervoor zorgen dat Salingers roman vandaag maar liefst 65 miljoen verkochte exemplaren kent. Zelfs binnen de hedendaagse jongerencultuur blijft de sarcastische maar tegelijk kwetsbare, zichzelf beklagende Holden Caulfield een rolmodel: ook nu nog gaan er jaarlijks 250 000 Catchers over de toonbank. Na verloop van tijd draaide ook de literaire kritiek bij: het boek wordt vandaag alom geprezen om zijn vitaliteit, zijn unieke stijl en zijn vernieuwende gebruik van vertelstandpunten, met de onbetrouwbare puberemoties van Caulfield die het relaas van de gebeurtenissen sterk beïnvloeden. Dit blijkt al meteen uit de beroemde openingszin: "IF YOU REALLY want to hear about it, the first thing you'll probably want to know is where I was born, and what my lousy childhood was like, and how my parents were occupied and all before they had me, and all that David Copperfield kind of crap, but I don't feel like going into it, if you want to know the truth."

Naarmate hij beroemder werd, zou Salinger meer de eenzaamheid gaan opzoeken. In 1953 verliet hij New York om zich in het verlaten Cornish, New Hampshire te vestigen. In 1955 trouwde hij met de studente Claire Douglas, die hem twee kinderen zou schenken, Margaret en Matthew. Publieke verschijningen van Salinger werden almaar zeldzamer, en ook publicaties lieten steeds langer op zich wachten. De mysterieuze auteur kon het succes van zijn debuutroman nooit meer evenaren, terwijl ook de recensies van zijn latere werk niet onverdeeld positief waren. Na 1965 trok J.D. zich geheel terug uit het openbare leven. Tot aan zijn natuurlijke dood op 91-jarige leeftijd bleven ontelbare literatuurliefhebbers vergeefs hopen op nieuw werk van Salinger. Volgens dochter Margaret zou haar vader echter al die jaren puur voor zijn plezier zijn blijven schrijven, en zou hij zelfs duidelijk aangegeven hebben welke manuscripten na zijn dood mochten gepubliceerd worden. Wie weet dus wat voor moois Salinger de wereld postuum nog zal schenken...

woensdag 27 januari 2010

Zelda Rubinstein : Dat rare dametje van Poltergeist

Zelda Rubinstein is gestorven. De Amerikaanse actrice werd vooral bekend door haar rol in de Poltergeist-trilogie. De originele Poltergeist (1982) was haar grote doorbraak op het witte doek. Daarin speelde ze het excentrieke medium Tangina Barrows, dat het opnam tegen de boze geesten in het huis van de familie Freeling. Ze mocht ook nog eens opdraven in deel 2 en 3 (Poltergeist II: The Other Side uit 1986 en Poltergeist III, 1988), waarin ze weer dezelfde rol vertolkte. Ook in de TV spin-off Poltergeist: The Legacy (1996) was ze er weer bij, ditmaal als de zieneres Christina. De rest van haar filmcarrière zou ze grotendeels doorbrengen als één of ander medium.


Maar Rubinstein was ook nog bijzonder omwille van een fysiek kenmerk. Door een aandoening aan de adenohypofyse was ze slechts 1m30 groot. Ze werd dan ook een activiste voor haar kleinere lotgenoten onder de medemens. Ook in de strijd tegen HIV/AIDS was ze er al vroeg bij, vanaf 1984. Later gaf ze toe dat dat heel riskant geweest was, zeker in die tijd. Blijkbaar had het zelfs invloed op haar carrière.


Naast Poltergeist verscheen ze ook nog in National Lampoon's Last resort, Sixteen Candles, Cages en Teen Witch. Ook in Tales from the Crypt dook ze even op. Later ging ze meer voiceovers doen voor reclamespotjes en speelde ze de verteller in Scariest Places on Earth.


Zelda Rubinstein werd uiteindelijk 76.

maandag 25 januari 2010

Ali Hassan al-Majid : "Chemical Ali"

Vier keer werd hij ter dood veroordeeld, maar vandaag ging het licht voor Ali Hassan al-Majid finaal uit. En al-Majid is niet van de minste. Sinds de machtsovername van Saddam Hoessein in Irak in 1979 was hij één van de wreedste mannen in een al voor zijn wreedheid berucht regime. Al-Majid, een neef langs vaderszijde van de Irakese dictator, was de man die alle vuile klusjes voor Saddam opknapte. Zijn vak had hij al vroeg geleerd; eind jaren '60 en begin jaren '70, toen de Baath-Partij in Irak aan de macht kwam, stond al-Majid klaar om alle "tegenstanders" van het regime vakkundig te elimineren. Meer dan 3.000 gingen er het hoekje om in die dagen.
Toen Saddam dan uiteindelijk zelf in 1979 het spel overnam, kwam zo'n sadistisch manusje-van-alles dan ook goed van pas. Bovendien was hij familie, wat nog een grotere rol speelde in al-Majids steile klim naar de hoogste regionen van de macht. In 1980 werd hij hoofd van de staatsveiligheid en menige kop rolde.
Al-Majid maakte voor het eerst een grote indruk bij Saddam toen hij het dorp Dujail in Noord-Irak met de grond gelijk maakte. Vandaar kwamen naar het schijnt de mannen die een moordpoging op de grote leider hadden geprobeerd. Maar de reputatie van al-Majid - en zijn bijnaam - verdiende hij pas echt in 1987. Toen was hij gouverneur van de Koerdische provincies in Noord-Irak. Die stond toen in vuur en vlam door een opstand tegen Saddam. Al-Majid lanceerde Operatie Anfal. In 1988 had Halabja de dubieuze eer om als eerste vermorzeld te worden. Vijf uur lang sproeiden Irakese vliegtuigen het ene chemische wapen na het andere op het dorp. Mosterdgas, Tabun, Sarin en VX kregen de onfortuinlijke dorpelingen op hun hoofd. Het resultaat was meer dan 5.000 lijken. Het leverde al-Majid de bijnaam "Chemical Ali" op. In de volgende drie jaar joeg Chemical Ali nog ongeveer 180.000 Koerden over de kling.
Saddam beloonde zijn neef met het gouverneurschap van een nieuwe provincie, de 19e. Dat nieuwe "19e gouvernaat" was Koeweit, net overrompeld door Irak. Ook daar deed Chemical Ali zijn reputatie alle eer aan.
Na de bevrijding van Koeweit werd al-Majid de nieuwe Minister van Binnenlandse Zaken. Deze keer waren het de in opstand gekomen Irakese sjiieten die er aan moesten geloven. Weer een paar duizend onder de zoden. In 1995 ging hij zelfs zo ver dat hij zijn bloedeigen neven, de twee zonen van zijn broer, een kopje kleiner maakte. De broer zelf volgde iets later.
Saddam verloor zijn macht in 2003, Chemical Ali was toen ook alles kwijt. Hij dook onder. Eerst werd gedacht dat hij omgekomen was bij een luchtaanval, maar uiteindelijk bleek dat hij nog in leven was en in augustus van dat jaar werd hij gearresteerd. Vier keer werd hij in daaropvolgende processen ter dood veroordeeld, de laatste keer op 17 januari. De beul stond deze keer ook klaar voor al-Majid. Chemical Ali stierf aan de galg, 68 jaar oud.

vrijdag 22 januari 2010

Jean Simmons : "Oh my life, my love, please die! Oh God, why can't you die?!"

De Britse actrice Jean Simmons is op 80-jarige leeftijd overleden aan longkanker. Simmons maakte haar filmdebuut toen ze 15 jaar was. Haar grote doorbraak kwam er enkele jaren later met Great Expectations (1946) van David Lean. Die legendarische regisseur overtuigde haar om van acteren ook echt haar carrière te gaan maken. Op 19-jarige leeftijd reeds had ze haar eerste oscarnominatie binnen voor haar rol als Ophelia in Hamlet van Laurence Olivier. Daarna verhuisde ze naar Hollywood waar ze gedurende de jaren '50 en '60 uitgroeide tot één van de leading ladies van de cinema. Ze speelde in die jaren aan de zijde van onder andere Robert Mitchum, Gregory Peck, Rock Hudson en Marlon Brando. Met die laatste speelde ze de hoofdrol in de musical Guys and Dolls (1955) en kreeg hiervoor een Golden Globe. Jean Simmons zal waarschijnlijk voornamelijk herinnerd worden omwille van haar vrouwelijke hoofdrol in Spartacus, Stanley Kubricks historisch epos uit 1960. Ze vertolkte hierin de rol van het slavinnetje Varinia dat de love interest werd van Spartacus (gespeeld door Kirk Douglas), en schitterde in deze prent naast grote namen als Peter Ustinov, Laurence Olivier en Tony Curtis. Haar tweede en laatste oscarnominatie kreeg Simmons voor The Happy Ending uit 1969 waarin ze een alcoholische vrouw speelt, terwijl de actrice in die periode zelf ook met een drankprobleem worstelde. Dat was, samen met ongetwijfeld ook een tanende schoonheid, trouwens één van de redenen waarom haar filmcarrière vanaf de jaren '70 in het slop geraakte. Zoals zovele afgedankte moviestars zocht ze haar toevlucht in tv-series. Op het kleine scherm speelde ze onder andere in North and South en maakte ze ook een opgemerkte verschijning als een strenge Starfleet admiraal in Star Trek: the Next Generation.

Hieronder de beroemde afsluitende scène uit Spartacus waarin Simmons als Varinia aan haar geliefde leider der slavenopstand, die ondertussen al aan het kruis genageld hangt, gaat vertellen dat hun pasgeboren zoon geen slaaf meer is en hem smeekt om nu toch maar snel te sterven zodat zijn lijden zou ophouden:

donderdag 21 januari 2010

Connie Brown : The Codmother

Het Britse viswijf Connie Brown is op 102-jarige leeftijd overleden. Brown was de legendarische uitbaatster van een fish 'n chips-kot in het dorpje Pembroke in Wales. Fish 'n chips is het typische oerbritse fastfood bestaande uit een portie gefrituurde kabeljauw met frieten. Bijzonder aan Brown was dat ze haar shop reeds opende in 1928 en het in totaal 81 jaar lang eigenhandig uitbaatte, tot ze de 100 al voorbij was. Daarmee was ze naar alle waarschijnlijkheid de langst werkende mens ter wereld. In 1928 betaalde men bij haar anderhalve penny (ongeveer 2 eurocent) voor een portie fish 'n chips, vandaag de dag 3 pond wat nog steeds erg goedkoop is (op de foto rechts ziet men haar frietkot in 1928 en in 2010). Voor haar toch wel gigantische carrière kreeg ze zelfs een MBE (Member of the British Empire), een koninklijke onderscheiding die ze persoonlijk mocht ontvangen uit handen van koningin Elisabeth wat voor Brown toch wel een hoogtepunt in haar leven was. Enkele weken voor haar dood moest Brown worden opgenomen in het ziekenhuis, zowaar voor de allereerste keer in haar lange leven. Volgens de legende zou Brown nooit groenten gegeten hebben maar wel elke dag fish 'n chips, en dit zou het geheim voor haar taaiheid en langdurige gezondheid geweest zijn. Van haar dorpsgenoten kreeg Connie Brown de liefkozend bedoelde bijnaam 'The Codmother', een verwijzing naar haar bijzondere band met kabeljauw.

zaterdag 16 januari 2010

Glenn Bell : Mr. Taco Bell

Glenn William Bell Jr. is overleden. De Amerikaan was de stichter van Taco Bell, dé Tex-Mex fastfoodketen. In de Tweede Wereldoorlog diende Bell bij het US Marine Corps. Na de oorlog, in 1946, zei hij het militaire leven vaarwel en begon in 1948 zijn eerste hotdogkraam in San Bernardino, California, genaamd Bell's Drive-In. Bell was al sinds jaar een dag een enthousiaste aanhanger van de Tex-Mexkeuken en was dan ook goed bekend met de problemen in die cuisine. Het zat hem vooral hoog dat hij nergens een deftige taco kon bestellen. Terwijl hij zijn hotdogs verkocht, onderzocht hij manieren om taco's klaar te maken.



In 1952 verkocht hij zijn 1e stand en begon een nieuwe, die ook hamburgers verkocht. Kort daarna kwam de volgende stap: de verkoop van taco's voor een miezerige 19 dollarcent vanuit een zijraam. Tussen 1954 en 1955 opende hij dan 3 Taco Tias in Los Angeles, maar die werden ook al snel verkocht. Daarna opende hij 4 El Taco's in Long Beach, maar ook die verkocht hij, in 1962.



Bell ging nu solo. Hij opende wat later de wereldberoemde Taco Bell's zou worden. Zijn keten groeide als kool. Toen hij zijn geesteskind in 1978 verkocht aan PepsiCo, was die ondertussen 868 restaurants groot. Ze brachten $125 miljoen in het laatje. Mr. Taco Bell leefde nog rustig door en werd uiteindelijk 86.

donderdag 14 januari 2010

Bobby Charles : See You Later, Alligator!

Bobby Charles heeft ons verlaten. De Amerikaan was een zanger en songwriter, die enkele van de betere hits van vroeger op zijn naam heeft staan. Charles, geboren als Robert Charles Guidry in Louisiana, was een rasechte Cajun, een afstammeling van ingeweken Canadezen die in de 18e eeuw door de Engelsen verdreven werden uit Acadia (vanwaar de verbastering naar Cajun). Naast hun typische Franse patois dat nu nog in Louisiana gesproken wordt, brachten de Cajuns ook hun eigen muziek mee, waar Charles mee opgroeide.
Op zijn 15e zag hij voor het eerst Fats Domino optreden en de jongeling was direct verkocht. Hij werd een pionier van wat de 'swamp pop' genoemd werd, een typisch muziekgenre uit het zuiden van Louisiana. Het bekendste nummer hiervan, geschreven door Charles, is "See You Later, Alligator", dat beroemd werd als een cover door Billy Haley & His Comets. Voor zijn grote idool Fats Domino schreef hij "Walking to New Orleans". Samen met Willie Nelson maakte hij "Promises, Promises (The Truth Will Set You Free)" en met Rick Danko van The Band hield hij "Small Town Talk" boven de doopvont.

Andere nummers werden later bekend omdat ze in soundtracks gebruikt werden, zoals "(I Don't Know Why) But I Do", dat in Forrest Gump gespeeld werd. In 1976 speelde Charles nog mee in het farewell concert van The Band met o. a. Bob Dylan en Dr. John. Dat vaarwel van The Band was trouwens wel wat voorbarig, want in 1983 stonden ze er weer.

In de jaren '90 kwam nog een jongensdroom uit toen hij met Fats Domino een duet van "Walking to New Orleans" opnam. Bobby Charles werd 71.