Posts tonen met het label Eerste Wereldoorlog. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Eerste Wereldoorlog. Alle posts tonen

donderdag 5 mei 2011

Claude Choules : De laatste der laatsten



Er zijn al wat tegenstrijdige berichten de wereld ingestuurd over de laatste veteranen van de Eerste Wereldoorlog, maar nu is het eigenlijk wel officieel. De laatste echte veteraan van de Groote Oorlog die ook actie gezien heeft, heeft zich nu bij zijn kameraden gevoegd.
Claude Stanley Choules werd in het Britse Pershore geboren. In 1915, toen een snaak van veertien jaar, ging hij dienen op de Mercury, een trainingsschip. Een jaartje later werd hij opgenomen in de Royal Navy, op een nieuw trainingsschip, de HMS Circe. In 1917 dan vervolledigde hij zijn opleiding en kwam hij terecht op de HMS Revenge, één van de grootste schepen van zijn tijd. Het slagschip was het vlaggenschip van het First Battle Squadron. De Revenge had nog meegevochten in de Slag bij Jutland, de grootste confrontatie op zee tussen de oorlogvoerenden in de Eerste Wereldoorlog. Choules was er toen nog niet bij. Hij was er wel bij toen de Revenge in een gevecht verwikkeld geraakte met een Duitse Zeppelin.








In 1918, toen de oorlog net tien dagen voorbij was, zag hij hoe de volledige Duitse keizerlijke vloot zich kwam overgeven in het Schotse Firth of Forth. Die vloot, 74 schepen groot, zou verdeeld worden tussen de Geallieerde overwinaars. De Duitse bevelhebber, admiraal Ludwig von Reuter, zag dat echter niet zitten en op 21 juni 1919 gaf hij het bevel om alle schepen te laten zinken. 52 schepen slaagden er in om zichzelf te kelderen. Choules was de laatste getuige van dit historische schouwspel.

Na de oorlog ging hij naar Australië als instructeur. Hij had het daar wel naar zijn zin en sloot zich aan bij de Australian Royal Navy. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, was hij de Acting Torpedo Officer op de HMAS Fremantle en later Chief Demolition Officer van West-Australië. In die laatste hoedanigheid zou hij de havens van Fremantle moeten saboteren, mochten de Japanners een invasie proberen uit te voeren. Na de oorlog ging hij bij de Naval Dockyard Police, waarin hij tot zijn pensioen in 1956 diende.






Hij ging nooit naar de vieringen van de Wapenstilstand op 11 november, omdat hij tegen elke vorm van ophemeling van oorlog was. In 2009 publiceerde hij zijn autobiografie, The Last of the Last. In maart 2011 werd hij 110 en bleek dat hij de enige veteraan was die nog actie gezien had in de Groote Oorlog. Choules was op het einde van zijn leven bijna compleet blind en doof. Toen hij stierf, liet hij drie kinderen, elf kleinkinderen, 22 achterkleinkinderen en drie achterachterkleinkinderen na. Met Choules' dood is de Groote Oorlog nu eigenlijk pas écht voorbij...

zondag 27 februari 2011

Frank Buckles : The Last Doughboy


De laatste Amerikaanse veteraan van de Eerste Wereldoorlog heeft ons verlaten. Frank Woodruff Buckles was de oudste nog overlevende veteraan van de Groote Oorlog. Toen de Amerikanen zich in 1917 ook gingen moeien in de grote slachtpartij tussen de grote Europese mogendheden van die tijd, was Buckles nog maar 16. Hij wou per se mee de grote plas over en loog dat het geen naam meer had om daar te geraken. Toen hij zei dat hij 18 was, wou niemand hem geloven, maar uiteindelijk liet één recruiteur hem toch door de mazen van het net glippen. Het was 14 augustus 1917.

Buckles werd direct op de boot gezet, de RMS Carpathia, dat vijf jaar daarvoor nog overlevenden van de RMS Titanic had helpen redden. Eenmaal in Europa werd hij onderverdeeld bij de 1st Fort Riley Casual Detachment.

Tot zijn grote frustratie (geluk?) kwam hij nooit in de gevechten terecht. Zijn eerste 6 maanden moest hij rondrijden met motorfietsen en ambulances. Na dat half jaar slaagde hij er eindelijk in om naar Frankrijk te worden overgeplaatst - maar dan naar Bordeaux, aan de andere kant van het land, mijlenver van de gevechten. Daar moest hij een Amerikaanse luitenant escorteren.

Tot aan de Wapenstilstand zou hij geen actie zien. Eenmaal 11 november 1918 voorbij, moest hij 650 Duitse krijgsgevangenen terug naar Duitsland voeren. Die Duitsers bleken zowaar vriendelijk en beschaafd te zijn en brachten hun tijd door met het organiseren van orkesten. Slechts één keer kwam hij dicht bij een gevecht met een Duitser, een krijgsgevangene. Maar voor Buckles en zijn Duitse tegenhanger op elkaar konden slagen, werden ze uit elkaar gehaald... door een Duitser. In januari 1920 mocht Buckles terug naar huis.

In de jaren '40 werkte hij in Manila op de Filippijnen, waar hij in 1942 gevangengenomen werd door de binnenstormende Japanners. De volgende 3,5 jaar zat hij weg te rotten in een Japans krijgsgevangenenkamp. Toen hij in 1945 gered werd, woog hij nog maar 50 kg en leed hij aan beriberi.

Na de oorlog trouwde hij en kocht hij een ranch in West Virginia, waar hij de rest van zijn leven doorbracht. De laatste jaren, toen duidelijk werd dat hij de laatste Amerikaan was die de Eerste Wereldoorlog nog had meegemaakt en er in had gevochten, kreeg hij meer aandacht en werd hij geregeld geïnterviewd. Op 1 februari was hij net 110 geworden. Hij overleed aan natuurlijke oorzaken en krijgt het voorrecht van een begrafenis op Arlington National Cemetery.
Met de dood van Buckles is er nu eigenlijk nog maar één veteraan meer over: de Brit Claude Choules, 109 jaar, die in de Britse marine zat en nu in Australië woont. Naast Choules is er ook nog Florence Greene, 110, die in september 1918 serveuse was in de officierskantine van de RAF in Engeland.

zaterdag 25 juli 2009

Harry Patch : The Last of Passiondaele

Meer dan een half miljoen op een een luttele drie maanden. Dat was de dodentol van de Slag bij Passchendaele. En de laatste die die moordpartij heeft meegemaakt heeft ons nu ook verlaten. Henry John Patch verliet de school op zijn vijftiende en werd een loodgieter. Een jaar later brak de Eerste Wereldoorlog uit. Hij wou helemaal niet gaan vechten, maar in 1916, op zijn achttiende, werd hij opgeroepen om te dienen bij de Duke of Cornwall's Light Infantry. Na zijn training werd hij in mei 1917 naar Reims gestuurd en zo verder naar het front. En een maand later begon één van de grootste en bloedigste veldslagen van de Oorlog. Patch was niet helemaal onbekend met de loopgravengruwel. Zijn oudere broer William had in de Eerste Slag bij Ieper gevochten en had daar schrapnel in zijn been gekregen toen hij loopgraven aan het graven was. En van juni tot september 1917 zat Harry Patch zelf in de loopgraven, in de Derde Slag bij Ieper, die bekend werd als de Slag bij Passchendaele. Zijn taak was er voor zorgen dat het Lewis-machinegeweer bleef lopen. Op 22 september 1917, om 22u30, stopte de oorlog voor Harry. Toen ontplofte er een lichte granaat, die de Tommies een Whizz Bang noemden, boven de hoofden van de mannen van het machinegeweer. Drie van zijn kameraden ontploften bijna letterlijk, Patch zelf kreeg een stuk schrapnel in zijn kruis. De volgende maanden bracht hij door in een hospitaal op het Isle of Wight, waar hij ook was toen de wapenstilstand getekend werd.
Het terrein dat in drie maanden gewonnen werd in de Slag bij Passchendaele was de volle vijf mijl. Pas in 1998 zou hij weer over de oorlog praten. Vanaf dan was hij regelmatig te zien in de vele documentaires over de oorlog. In 2003 nog kwam hij opdraven in de televisiereeks World War 1 in Colour. Daar zei hij nog "If any man tells you he went over the top and he wasn't scared, he's a damn liar." Bij zijn terugkeer op het slagveld in 2007 mijmerde hij nog dat "Any one of them could have been me. Millions of men came to fight in this war and I find it incredible that I am the only one left." Hij beschreef oorlog als "the calculated and condoned slaughter of human beings" en voor hem was het wel duidelijk dat "war isn't worth one life".
Ook zijn privéleven werd ontsierd door vele littekens. In 1976 stierf zijn eerste vrouw, op haar 81e. Zijn oudste zoon Dennis werd na de dood van zijn moeder verslaafd aan de drank en verkocht zelfs de oorlogsmedailles van zijn vader om toch maar aan zijn dagelijkse dosis te geraken. Zijn enige andere kind, een jongere zoon genaamd Roy, stierf in 2002. Op zijn 81e hertrouwde Harry, maar ook zij stierf, in 1984. Zijn laatste levensgezellin ontmoette hij in het rusthuis in 2003. Maar ook zij zou voor hem deze wereld verlaten, in 2007.
In november 2004 ontmoette hij voor het laatst zijn oude vijanden; Charles Kuentz, een Elzasser die aan de Duitse zijde had gevochten in Passchendaele (en voor de Fransen in de Tweede Wereldoorlog). Aanvankelijk zag Patch de ontmoeting niet zitten, maar uiteindelijk stemde hij er toch mee in en bleek het allemaal nog mee te vallen: "I was a bit doubtful before meeting a German soldier. Herr Kuentz is a very nice gentleman however. He is all for a united Europe and peace – and so am I." Kuentz had Harry een doos Elzasser koekjes mee, Patch gaf zijn collega een fles Somerset cider.
Henry John Patch was de laatste die ooit in de loopgraven heeft gevochten. De enige overlevenden die het nu nog kunnen navertellen zijn Claude Choules, Jack Babcock en Frank Buckles. Babckock zat nog in een trainingskamp en zag nooit actie in de oorlog: Buckles bestuurde een ambulance achter het front en Choules is de laatste zeeman. Patch werd 111.

Patch in Passchendaele:

zaterdag 18 juli 2009

Henry Allingham : "I want to be forgotten. Remember the others."

"I don't. I want to be forgotten. Remember the others." Dat was het antwoord van Henry William Allingham op de vraag hoe hij herinnerd wilde worden. Hij sprak die woorden uit in 2006 aan de Somme, waar in de Eerste Wereldoorlog één van de bloedigste veldslagen plaatsgevonden had. En Allingham wist waarover hij sprak. Na de dood van zijn moeder sloot hij zich in augustus 1915 aan bij de Royal Navy. In mei 1916 was hij aan boord van de trawler HMS Kingfisher. En zo werd Allingham op 31 mei en 1 juni 1916 één van de deelnemers aan de Slag bij Jutland, de grootse zeeslag tussen de British Grand Fleet en de Hochseeflotte, waarin 28 schepen gekelderd werden en meer dan 8.000 mensen het leven verloren. Hij was verantwoordelijk voor het lanceren van het verkenningsvliegtuig op zijn schip en zat daardoor niet in het midden van de oorlogshetze, maar Allingham zat er toch nog dicht genoeg op om granaten over de zee te zien vliegen. Gelukkig voor hem bleken er veel losse flodders tussen te zitten, wat hem en zijn kameraden veel leed bespaarde.
Eenmaal terug aan land werd hij in september 1917 aan het Westfront gezet, op het slagveld van de Somme. Hij was ondertussen een Air Mechanic First Class geworden bij de RNAS (de Royal Navy Air Service) en zijn taak hier was het ondersteunen van squadrons van het Royal Flying Corps, dat regelmatig sorties over het slagveld vloog. De dingen die hij daar zag, zouden voor de rest van zijn leven in zijn geheugen gebrand zijn. Tot aan zijn oksels zat hij soms in het water, omringd door de geur van modder en de rottende lijken van de gevallen soldaten. Op de 11 novemberviering van vorig jaar - de laatste waar nog veteranen aanwezig waren, en waar hij vergezeld werd door zijn achterachterkleinzoon (!) Erik Carlson, toen 3 (zie foto) - zei hij: "I saw too many thing I would like to forget but I never will forget them, I never can forget them." In november 1917 werd hij gestationeerd in Duinkerken, waar hij de rest van de oorlog doorbracht. Ook hier kreeg hij regelmatig te maken met luchtaanvallen en zelfs beschietingen van op zee. Hij werd zo een stichtend lid van de RAF, de Royal Air Force. Allingham was de laatste overlevende die het prille begin van de Britse luchtmacht heeft meegemaakt.
Na de oorlog ging hij werken bij Ford, waar hij tot zijn pensioen zou blijven. In de Tweede Wereldoorlog werd hij weer opgeroepen, ditmaal om aan een project te werken dat zich bezighield met het neutraliseren van Duitse magnetische mijnen.
Pas in 2005 zou hij terug beginnen praten over zijn lotgevallen in de Eerste Wereldoorlog. Tussen 1918 en 2005 ontweek hij alle reünies en weigerde hij steevast om over de oorlog te beginnen, zelfs tegen zijn familie. Maar de laatste vier jaar van zijn leven wijdde hij aan het levend houden van de verschrikkingen en de opofferingen van de Groote Oorlog.
"Cigarettes, whisky and wild, wild women - and a good sense of humour." Dat waren de geheimen des levens van Henry William Allingham. De oudste overlevende van de eerste wereldbrand overleed rustig in zijn slaap; hij werd 113.

Hier Henry aan het woord op zijn 111:

woensdag 3 juni 2009

John Campbell Ross : The last Digger

John Campbell Ross is rustig in zijn slaap overleden. Met "Jack" Ross sterft ook de laatste Australische veteraan van de Eerste Wereldoorlog. Ross had het 'geluk' dat hij pas in januari 1918 bij het leger ging, toen nog de First Australian Imperial Force. Daar diende hij als radioman. Voor hij ingezet kon worden, was de oorlog echter al voorbij en op kerstmis 1918 werd hij gedemobiliseerd. In de Tweede Wereldoorlog was hij er weer bij, ditmaal als korporaal bij het Volunteer Defence Corps. Toen ook die ten einde was, werkte hij tot aan zijn pensioen in 1964 bij de Victorian Railways. Ross was sinds 2005 de laatste overlevende Australische veteraan. Toen was William Evan Allan overleden op zijn 106. Allan was de laatste Australiër die nog actieve dienst had meegemaakt in zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog, bij de marine. Jack Ross, de laatste Digger, werd 110.

zaterdag 10 januari 2009

Bill Stone : One of the Last Old Contemptables

William Frederick "Bill" Stone is overleden. Stone was één van de laatste Britse veteranen van de Eerste Wereldoorlog. Hij was ook de op één na laatste veteraan die ook in de Tweede Wereldoorlog gevochten heeft. In 1915 - Bill was toen 15 - probeerde hij al in het leger te geraken, maar zijn vader weigerde de nodige papieren te tekenen omdat zijn andere drie zonen al in de hel van de Groote Oorlog zaten. Op zijn 18e verjaardag, 23 september 1918, sloot hij zich aan bij de Royal Navy als stoker aan boord van de slagkruiser HMS Tiger. Hij was nog in training toen de Oorlog afliep, maar bleef in de marine. Hij diende nog op de HMS Hood van 1922 tot 1924, die later in de andere oorlog in frut vaneen werd geschoten door de Bismarck. In de Tweede Wereldoorlog was hij ondertussen opgeklommen tot chefstoker en zo beleefde hij de evacuatie van het Britse leger in Duinkerken mee aan boord van de mijnenveger HMS Salamander. Hij werd twee keer getorpedeerd, waarvan één keer toen hij diende op de lichte kruiser HMS Newfoundland. Bij de invasie van Sicilië kreeg hij een speciale vermelding, de Mention in Despatches, voor zijn betoonde moed. Na de oorlog en zijn pensioen in 1968 opende hij een kapperswinkel, waar hij ook nog sigaretten en tabak verkocht. Nog niet zo lang geleden werd Stone in het midden van de straat tegengehouden door een jonge man die begon te klagen dat hij belastingen moest betalen voor het onderhoud van de veteraan. Bill antwoordde daarop ijskoud dat als hij er niet geweest was, hij niet eens belasting zou kunnen betalen. Stone's recept voor lang leven? "Clean living, be a contented man and a trust in the Lord. My motto is to keep going.' Hij was vorig jaar aanwezig op 11 november om het einde van Wereldoorlog I te herdenken, dan 90 jaar geleden, samen met twee andere veteranen Henry Allingham (nu 112) en Harry Patch (nu 110). Hij overleed rustig, omringd door familieleden, in het rusthuis waar hij al twee jaar verbleef nadat hij op zijn 106 zijn heup had gebroken. Bill Stone werd 108.

dinsdag 4 november 2008

Sydney Lucas : Altijd net niet

Sydney Maurice Lucas is niet meer. Hij behoorde tot het steeds kleiner wordende groepje veteranen van de Eerste Wereldoorlog. In tegenstelling tot miljoenen anderen heeft Lucas echter altijd veel geluk gehad; in augustus 1918 werd hij opgeroepen voor het leger bij de Sherwood Foresters en naar Yorkshire gestuurd voor zijn training. Het had er alle schijn van dat ook Lucas in de vleesmolen zou gesmeten worden. Zijn twee oudere broers hadden hun vuurdoop al gehad. De oudste kreeg een schot door een vinger, terwijl de andere twee keer bijna ontplofte maar nooit ernstig geraakt werd. Voor hij naar Frankrijk kon worden gestuurd, volgde er op 11 november de Wapenstilstand en kon Lucas naar huis terugkeren. In 1928 emigreerde hij naar Australië om daar zijn geluk te gaan beproeven. In juni 1940 meldde hij zich vrijwillig aan bij het Australische leger en werd hij naar Palestina gestuurd, om daar door te gaan naar Griekenland, dat op dat moment belaagd werd door Duitsers en Italianen. Ook deze keer werd hem het oorlogsgeweld bespaard; hij kreeg een blindedarmontsteking en moest achterblijven toen zijn bataljon in april 1941 vertrok. Tot zijn ontslag uit het leger vanwege gezondheidsredenen in november 1941 bewaakte hij Duitse en Italiaanse krijgsgevangenen. Terug in Australië werkte hij in een vliegtuigfrabriek en na de oorlog ging hij terug aan de slag als loodgieter. Lucas werd uiteindelijk 108. Hij overleed enkele dagen voor de 90e verjaardag van de Wapenstilstand. De drie resterende Britse veteranen zullen daar nog wél aanwezig zijn - het is goed mogelijk dat het ook hun laatste viering wordt...

zondag 26 oktober 2008

Delfino Borroni : De laatste Italiaan

We kunnen ze bijna op onze handen tellen, want zoveel zijn er niet meer: veteranen van de Eerste Wereldoorlog. En het lijstje wordt alsmaar kleiner, vooral nu Delfino Edmondo Borroni het tijdelijke voor het eeuwige heeft geruild. Door zijn heengaan zijn er geen Italiaanse veteranen van de Groote Oorlog over. Borroni was ook één de laatste soldaten die nog effectief in de loopgraven heeft gezeten (er zijn er nog twee over, een Fransman en een Brit). Hij ging in 1917 bij het leger in de 6e Bersaglieri Bologna. Zijn eerste kennismaking met de oorlog was in het Pasubio Alpine-massief, waar hij tegenover Oostenrijks-Hongaarse soldaten stond. Borroni was ook aanwezig bij Valsugana én Caporetto - die laatste veldslag was zowat de grootste nederlaag van het Italiaanse leger, dat toen grondig werd vermorzeld. Er vielen (alleen aan Italiaanse zijde) 11.000 doden, 200.000 gewonden en er werden 275.000 soldaten gevangen genomen; er werd 100km terrein prijsgegeven op een tweetal weken tijd - naar Wereldoorlog I-normen is dat een gigantische terreinwinst. Borroni, licht gewond geraakt in de gevechten, was één van die 275.000. Daarna moest hij loopgraven graven voor de Oostenrijkers tot hij tegen het einde van de oorlog er in slaagde om te vluchten. In de Tweede Wereldoorlog kreeg hij nogmaals de volle laag over zich, toen hij als trambestuurder zwaargewond geraakte bij een Geallieerd luchtbombardement. De laatste Italiaan overleefde en werd uiteindelijk nog 110...

vrijdag 22 augustus 2008

Gladys Powers : De laatste vrouw van de Groote Oorlog

Gladys Stokes Luxford Powers is van ons heengegaan. Sinds de dood van de Amerikaanse Charlotte Winters in maart 2007 was zij de laatste vrouwelijke veteraan van de Eerste Wereldoorlog. Powers werd in Londen geboren; in haar jeugd woonde ze in Turkije en Australië. In 1915 trad ze vrijwillig toe tot het WAAC (Women's Army Auxiliary Corps), ondanks het feit dat de minimumleeftijd 16 was en zij nog maar 15. Ze werkte als een serveerster in de barakken. Later stapte ze over naar de WRAF (Women's Royal Air Force). Tijdens haar dienst kwam ze de Canadees Ed Luxford tegen, waarmee ze later in het huwelijk trad. Ze verhuisden naar het Canadese Calgary in 1920, maar Gladys vond de winters daar veel te koud en ze trokken dan maar naar British Columbia in 1925. Omdat het koppel geen geld had, moesten ze bijna 1.000 km te voet gaan langs de Canadian Pacific Railway. Ze scheidde achteraf van Luxford, hertrouwde nog drie maal maar werd ook drie keer weduwe. Onlangs nog had het rusthuis waar ze in verbleef, het Valhaven Rest Home in Abbotsford, een Nintendo Wii aangeschaft. Powers waagde zich er ook eens aan en het bleek al snel dat haar favoriete tijdverdrijf een boksspel was... De laatste vrouw van de Groote Oorlog werd 109. Er zijn nog maar 12 veteranen over, waarvan er 8 effectief dienst gedaan hebben (de rest zat nog in training toen het voorbij was, gelukkig voor hen...)

vrijdag 27 juni 2008

Francesco Chiarello : De voorlaatste Italiaan

Francesco Domenico Chiarello heeft zijn laatste adem uitgeblazen op de gezegende leeftijd van 109. Chiarello was de voorlaatste Italiaanse veteraan van de Eerste Wereldoorlog. Hij werd opgeroepen in 1918 en trad toe tot de Castrovillari. Na drie maanden training werd hij naar Cosenza gestuurd als deel van de infanterie. Hij maakte de slag van Vittorio Veneto (oktober-november 1918) mee, die mee tot de instorting van Oostenrijk-Hongarije en het Italiaanse front leidde. Daarna werd hij per schip van Taranto naar Albanië gevoerd, waar hij ten prooi viel aan malaria. Chiarello herstelde in een veldhospitaal en werd vervolgens naar Montengro gestuurd, waar hij nog twee jaar dienst deed in het Italiaanse leger. In 1940 werd hij weer opgeroepen om in de Tweede Wereldoorlog te vechten. Hij was gelegerd in Reggio di Calabria, maar na zes maanden mocht hij afzwaaien. Tot aan zijn dood leefde hij in Cirò Marina. De enige nog levende Italiaanse veteraan van de Eerste Wereldoorlog is nu Delfino Borroni, 109. Frankrijk heeft bij nader inzien ook nog een overlevende, Fernand Goux (108). Die werd opgeroepen op 19 april 1918, maar nooit opgenomen in de lijst van de Franse regering van oudstrijders omdat het alleen die soldaten meetelde die meer dan drie maand (oorlogs)dienst hebben.

dinsdag 27 mei 2008

Franz Künstler : De laatste soldaat van de keizer

De veteranen van de Eerste Wereldoorlog vallen bij bosjes. Vandaag was het de beurt aan Franz Künstler, de laatste veteraan van het Oostenrijks-Hongaarse leger en tevens de allerlaatste soldaat die voor de Centrale Mogendheden gevochten heeft (de alliantie tussen Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse rijk). Hij werd in 1900 geboren in Soost, dat toen nog tot het koninkrijk Hongarije behoorde (nu Roemenië). In februari 1918 werd hij ingelijfd bij het Oostenrijks-Hongaarse leger voor een opleiding bij een veldartillerieregiment (HFKR 5. k.u. Feldkanonen-Regiment/5. honvéd tábori ágyúsezred) om daarna tot november 1918 aan het Italiaanse front te worden ingezet. Na de oorlog vocht hij tegen de communisten; hij zou tot 1921 in het leger blijven. Ook in de Tweede Wereldoorlog zag hij actie, ditmaal in het Hongaarse leger; in 1942 diende hij 6 maanden als koerier in de Oekraïne. Hij weigerde voor de Hongaarse Pijlkruisers te gaan vechten (de Hongaarse nazi's), wat hem bijna de kogel opleverde. In 1945 werd hij opgepakt als Duitser, vluchtte hij naar Oostenrijk, maar werd daar onderschept door de Amerikanen en teruggestuurd naar Hongarije. In 1946 werden hij en zijn vrouw, samen met andere ethnische Duitsers, uit Hongarije gezet. Zijn zoon Franz (jr.) zou hij pas in 1952 terugzien; hij zat tot dan in Russische krijgsgevangenschap. Tot aan zijn dood op de gezegende leeftijd van 107 leefde hij in het Duitse Niederstetten (Baden-Württemberg), waar hij gids was in een museum. In een interview in 2008 deed hij nog de volgende uitspraken over de beste regeringsvorm: "Ich habe die Monarchie, die Diktatur, den Kommunismus und die Republik erlebt und kann ohne Bedenken sagen: Die Republik ist das Beste, weil man wählen kann, wen man will. " En uiteraard over het belangrijkste in het leven: "Ich war ein schöner Kerl und hatte viele Frauen. Wichtiger aber ist es, eine gute Ehefrau zu haben, mit der man das ganze Leben teilen kann."
De Eerste Wereldoorlog eiste 10 miljoen doden en nog eens 21 miljoen gewonden. Künstler overleefde ongeveer 4 medesoldaten van de Centrale Mogendheden, waarvan er 922.000 alleen op het conto van Oostenrijk-Hongarije staan. Er leven nu nog 11 veteranen van de Groote Oorlog.

woensdag 2 april 2008

Yakup Satar : De laatste Ottomaan

De laatste veteranen van de Groote Oorlog vallen dit jaar bij bosjes (voor zover dat nog mogelijk is). Nu was het de beurt aan Yakup Satar, de laatste Turkse - of liever Ottomaanse - soldaat die in de loopgraven leefde. Satar voegde zich in 1915, op zijn 17, bij het leger van het Ottomaanse rijk. Op 23 februari 1917 werd hij krijgsgevangen genomen in de Tweede Slag bij Kut, in de Baghdad-campagne. Later streed hij nog met de beroemde en beruchte Mustafa Kemal Atatürk in de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog, die tussen 1919 en 1922 woedde (het is nogal onduidelijk wanneer hij terugkeerde uit zijn Geallieerde krijgsgevangenschap). Tot aan zijn dood, op de gezegende leeftijd van 110, leefde hij met zijn dochter in het Hacı Seyit district in Eskişehir, in Noordwest-Turkije.

dinsdag 1 april 2008

Stanley Stair : De laatste Jamaïcaan

Stanley Charles Stair is overleden. Hij was de laatste veteraan van de Eerste Wereldoorlog uit de West Indies (de Caraïben). Stair diende in het British West Indies Regiment en kreeg de Victory Medal en de British War Medal voor bewezen diensten. De Jamaïcaan (toen nog in Britse handen) had nog een aandeel in het benoemen van de plaats waar hij later zou wonen. Toen er voor het plaatsje een naam gekozen moest worden, stelde hij Animal Hill voor omdat er veel inwoners waren die dierennamen hadden, zoals Stairs, Hogg, Mair, Lyons en Wolves. Chair werd 109. Hij werd pas twee maanden na zijn dood ontdekt als laatste veteraan.

woensdag 12 maart 2008

Lazare Ponticelli : Le dernier poilu

Lazare Ponticelli is overleden. Hij was de laatste overgebleven Franse veteraan uit de Eerste Wereldoorlog. Geboren als Làzzaro in Italië verhuisde hij in 1907 naar Frankrijk. In 1914, bij het uitbreken van de oorlog, loog hij over zijn leeftijd (hij was toen slechts 16) om bij het Franse Vreemdelingenlegioen in dienst te gaan. In 1915 moest hij dan overschakelen naar het Italiaanse leger omdat Italië zich bij de Geallieerden aansloot. Hij geraakte gewond in Tirol tijdens gevechten met het Oostenrijks-Hongaarse leger; Ponticelli werd door artillerievuur in zijn hoofd geraakt, wat hij op miraculeuze wijze overleefde. In 1918 zat hij terug aan het front, waar hij enkele gasaanvallen overleefde. In de Tweede Wereldoorlog werd hij te oud bevonden voor actieve dienst, maar in 1942 sloot hij zich aan bij het Franse verzet.
In de jaren '30 stichtte hij samen met zijn broers een buizen- en metaalfabriek - die overigens nog steeds bestaat. Ponticelli, die sinds 1939 het Franse staatsburgerschap had, werd 110. Hoewel hij eerst een staatsbegrafenis had geweigerd, stemde hij daar later toch mee in uit naam van alle mannen en vrouwen die tijdens de Eerste Wereldoorlog gestorven zijn.

zaterdag 26 januari 2008

Erich Kärstner : Het laatste Frontschwein


Op 1 januari 2008 is Erich Kärstner overleden, de laatste bekende Duitse veteraan van de Eerste Wereldoorlog. Kärstner trad in juli 1918 - hij was toen net 18 geworden - toe tot het Duitse leger en maakte de laatste vier maanden van de oorlog mee, aan het Westfront in Vlaanderen. Hij zou in november 1918 nog hebben meegelopen in een parade voor de Duitse keizer Wilhelm II. Frontschwein was de bijnaam die de Duitse soldaten zichzelf gaven.
In de Tweede Wereldoorlog ging hij terug bij het leger als majoor bij de Luftwaffe. Kärstners dood op de gezegende leeftijd van 107 ging - in tegenstelling tot bv. de Franse of Engelse veteranen van de Groote Oorlog - bijna onopgemerkt voorbij, tot zijn overlijden op het einde van januari 'herontdekt' werd door Der Spiegel en de BBC.

zondag 20 januari 2008

Louis de Cazenave : De voorlaatste der "Poilus"

Vandaag is Louis de Cazenave overleden, de oudste nog overlevende Franse Wereldoorlog I-veteraan. De Cazenave trad in 1916 toe tot het Franse leger, op de prille leeftijd van 19 jaar. Hij vocht onder meer in de Slag bij de Somme en was aanwezig bij de Chemin des Dames in 1917, één van de grootste débacles van de Eerste Wereldoorlog. Daar verloren de Fransen op de eerste dag alleen al 40.000 manschappen; de slachtpartij was de aanleiding tot grootschalige muiterijen in het Franse leger.












De Cazenave (links tijdens de oorlog, rechts op zijn oude dag) stierf vredig in zijn slaap op de gezegende leeftijd van 110.

zaterdag 12 januari 2008

Stanislaw Wycech : De laatste Pool

De laatste Poolse veteraan van de Eerste Wereldoorlog is rustig in zijn slaap overleden. Stanislaw Wycech was de zoon van onafhankelijkheidsgezinde Polen uit Warschau, wat dan nog deel uitmaakte van het Russische rijk. Toen de oorlog uitbrak, was hij nog te jong om op het slagveld te gaan, maar in 1915 werd hij boodschapper voor de Polska Organizacja Wojskowa (POW, de Poolse Militaire Organisatie), een ondergrondse beweging die een onafhankelijk Polen nastreefde. In 1917 werd hij toegelaten tot de volwassenenafdeling van de POW, die zich vanaf juli 1917 tegen de Duitsers keerde toen van hun leider, Jozef Pilsudski, een eed van trouw werd gezworen - wat hij weigerde. Vanaf 10 november 1918 was Wycech een volwaardig soldaat en ontwapende hij enkele Duitse eenheden. Hij ging bij het pasgevormde Poolse leger en vocht vervolgens tegen de Bolsjevieken in de Pools-Russische oorlog. Ondertussen had hij een tyfusaanval overleefd. In de Tweede Wereldoorlog werkte hij als koerier voor het verzet en nam hij ook deel aan de opstand in Warschau van 1944. Wycech werd 105.